Pagina's

donderdag 15 december 2011

Le patron



,Oh shit, mijn blouse’, dacht ik, toen ik aankwam bij het restaurant en een delegatie van heren in te strakke pakken me opwachtte. Mijn blouse die ik in de gauwigheid van de wasmand had geplukt en nog ongestreken was. Okay, weliswaar een Boss, maar volledig gekreukt. En daar schudde ik al de handen gestoken in mouwen met gouden manchetknopen. Ik speurde naar de blikken tegenover me en zag dat ze de vouwen van mijn shirt telden. ,Dit is de patron van mijn middelste zoon’, stelde de gastheer me nog aan de delegatie voor. Maar het kwaad was al geschied.

Ik was op uitnodiging van een vriend naar het restaurant gekomen. Een vriend die ik op mijn werk een beetje onder mijn hoede neem en met wie ik van het weekend een dubbele vodka-cola had weggetikt. Zijn jongere broer had een of andere opleiding volbracht en dat moest uitbundig gevierd worden. ,Mijn vader nodigt je uit’, had mijn vriend die zaterdagavond plechtig verteld. Het klonk een beetje als een dwangbevel. En hoewel ik er bij voorbaat al niet zoveel zin in had, zei ik: ,Goed, ik zal er zijn.’ Tenslotte is het moeilijk vechten tegen vaders die je aanwezigheid zeer op prijs stellen.

Ik schudde de handen van een tiental bobos, allemaal oudere vrienden van de trotse papa, en kreeg toen een plaatsje aan een tafeltje binnen toegewezen. Overal stonden flessen exclusieve wijn en Chivas Regal te wachten op dorstige gasten. Papa was van plan ook zo’n Schotse vriend op mijn tafel te zetten, toen ik zei: ,Eigenlijk heb ik meer zin in een biertje.’ ,Een biertje?’, antwoordde hij verwonderd. Maar goed, de gast –en zeker de enige blanke gast- is koning.

Daar zat ik dan, wat onwennig op me heen kijkend naar de gasten die arriveerden. De vrouwen in mantelrokjes, de mannen steevast in pak met een onberispelijke snit. Ik zag de details -de broches op het decolleté geprikt en de opgevouwen zakdoekjes zorgvuldig uit de pochets stekend– en probeerde met mijn vingers stiekem de vouwen van mijn blouse glad te strijken. Wat natuurlijk niet lukte.

Misschien was dat opgelaten gevoel een allergische reactie op al die vergaderingen die ik de afgelopen weken te verduren had gekregen. Sinds ik terug ben uit de jungle, word ik voor de ene na de andere officiële plechtigheid gevraagd. Daar zit ik tussen Kameroense autoriteiten. Van het Ministerie van Bosbouw, van het Ministerie van Milieu, van het ministerie van Financiën. Zij altijd in pak, ik altijd in mijn Boss-blouse (hoewel dan gestreken). En altijd denk ik achteraf: wat is er nou eigenlijk allemaal echt gezegd?

Toen alle gasten gearriveerd waren, gaf papa het woord aan de grootste bobo. De ware patron. De broer van mijn vriend om wie het allemaal draaide, moest er naast gaan staan. De speech ging over groei, toekomstkansen en uitdagingen. De broer dwong zichzelf minutenlang zwijgend te luisteren met de handen voor zijn driedelig kostuum gevouwen. Ik had het met hem te doen.

Toen de toespraak eindelijk was afgelopen, het buffet ingezegend en geopend, stelde papa de belangrijkste gast aan me voor. ,,Hij is de patron van mijn middelste zoon’, zei de gastheer tegen de man tegenover me. Ik knikte vriendelijk en pakte de hand met een dikke, gouden zegelring aan de ringvinger. Hij liet even de blik over me glijden en werd terstond afgeleid door een dame die een tafeltje verder zat. Ik had blijkbaar niet genoeg patron-gehalte. Jammer dan. Ik kon met mijn bord naar het buffet lopen waar acht verschillende soorten vlees op me wachtten.

Terug aan de tafel ontdekte ik een televisie schuin boven de bar. Een of andere Afrikaanse soap was aan de gang. Het was even over half negen, dinsdagavond. Tijd voor Champions league! Zou ik..? Ik had een moment van twijfel, maar verwisselde toen het tafeltje voor een barkruk aan de toog. Ik vroeg de bardame om de afstandsbediening en zapte naar inderdaad een wedstrijd. Het was Dortmund-Olympique Marseille. Onmiddellijk kreeg ik gezelschap van andere gasten die ook min of meer op zo’n programma hoopten. En ook de patron keek vanaf de zijkant mee.

Het zijn niet mijn favoriete clubs, verre van, maar de wedstrijd was spannend en sport verbroedert. De sfeer aan de toog was een stuk relaxter dan aan de andere tafeltjes. Ik dronk nog een biertje en stak een sigaret op. Gaat wel, bedacht ik me. Maar toch hunkerde ik ineens naar de bush. Om ergens in een dorpje zitten met een kalebas palmwijn voor me en te luisteren naar de geluiden van de jungle. Omringd door gasten die zwijgend hun sigaretten smoren. Daar maakt een ongestreken blouse trouwens ook geen bal uit.

Door Jeroen

vrijdag 25 november 2011

En zo vliegt de tijd voorbij

Ik volg een cursus in wachten. Het begon me te dagen toen ik weer eens twee en half uur in de rij stond om de gasrekening te betalen. Maar eigenlijk had ik al een vermoeden toen we 5 uur moesten wachten voor onze verblijfsvergunning. Nu wij al dagen (wat zeg ik? Anderhalve week inmiddels!) wachten op onze auto, weet ik het zeker. Het is dan wel een gratis opleiding, hij is behoorlijk pittig.

Het eigenaardige is dat ik Kameroeners niet zie wachten. Ze staan er wel, maar ze wachten niet. Wij Nederlanders (even lekker generaliseren) wachten nadrukkelijk. Want áls wij in Nederland ergens onverwachts moeten wachten (en dat gebeurt niet zo vaak, geloof mij maar), dan wachten we ook goed. Kameroeners niet. Die doen niets. En het maakt niet uit of ze een paar minuten moeten wachten, een aantal uur of een hele dag. Want je zou zeggen als je van te voren weet dat je een paar uur moet wachten, je iets meeneemt ter afleiding: een spelletje, een boekje, een tijdschrift, de krant. Weet ik veel. Iets! Maar dat doen ze niet. Ik vind dat zo knap. Ook controleren ze hun telefoon niet iedere vijf minuten op nieuwe berichtjes, halen ze geen vuil onder hun nagels vandaan, versnipperen ze geen papiertjes, trekken ze niet aan een loshangend draadje van hun blouse, trommelen ze niet met hun vingers, zuchten niet. Ze doen helemaal niets. Nu kan ik natuurlijk niet in hun hoofden kijken, misschien zijn ze de vloeroppervlaktes aan het berekenen met de stelling van Pythagoras, maar dat denk ik niet, als ik eerlijk ben.

Zo ging ik laatst de waterrekening betalen. Bij aankomst op het 'kantoor' zie ik buiten drie lange rijen staan. Ik heb geleerd van mijn eerdere wacht-ervaringen en heb dus een boek meegenomen. Maar ik begin met het observeren van de Kameroeners om mij heen, want hoe doen zij dat toch? Wat is wachten eigenlijk? Het is slechts een state of mind, bedenk ik me. Ik stel me gewoon voor dat ik op een terras zit. Lekker mensen kijken en genieten van de rust... heerlijk. Het lukt me weliswaar dit beeld een half uur vast te houden, totdat ik zweetdruppeltjes over mijn rug naar beneden voel glijden, mijn mond droog aan begint te voelen en ik pijn aan mijn benen krijg. Dit klopt niet meer met mijn beeld van een terrasje. Ik doe ook veel te ingewikkeld. Hoe doen zij dat dan? Volgens mij denken ze gewoon aan niks. 'Oké, denk ook aan niks. Ga op in dit moment.'

Weer een half uur later, ik ben bijna aan de beurt, hoor ik ineens gekreun vooraan in de rij. Oh nee! (Kameroeners kreunen alleen als er iets heel vervelends gebeurt). Ze hebben 'mijn' loket dichtgegooid. Geen zin meer, moet plassen, afgewerkt, je weet het hier nooit, maar het loket is dicht en blijft dicht. Dit kan toch niet? Verontwaardigd wil ik de andere mensen in 'mijn' rij aankijken, maar deze is reeds opgelost. Ze hebben zich al achteraan gesloten in de andere rijen en staan wederom in standje niets-doen-niets-denken.

Als je me nu, na bijna een jaar in Kameroen te zijn, zou vragen wat ik als grootste verschil zou aanduiden met Nederland, zou ik zeggen: de tijd. Of beter gezegd, het omgaan met de tijd. Nee, dat is ook niet wat ik bedoel. De waarde die gehecht wordt aan tijd. Dat komt meer in de buurt. Waar wij in Nederland menen controle te hebben over tijd, lijkt de Kameroener zich niet te beseffen dat er zoiets bestaat als tijd. Een hele vreemde manier van leven, zo leek mij in den beginne. Maar hoe langer ik hier ben, hoe meer ik me kan vinden in dit 'gemis'. Het komt me zelfs meer en meer voor als een bevrijding. Een bevrijding uit de gevangenis van tijd.

Als je er over nadenkt, is het toch ook van de zotte, wanneer wij zeggen: 'Ik heb geen tijd'. Hoezo, je hébt geen tijd? Is tijd iets dat je kunt bezitten dan? Iets wat je even tot je kunt nemen, er gebruik van kunt maken en het vervolgens weer weg kunt gooien? Dit alles klinkt wellicht abstract voor jullie in Nederland en je zult denken dat het slechts een uitdrukking is, een manier om iets te zeggen. Maar toch leven we er wel naar in het westen, heb ik ontdekt.

Nog zo'n uitdrukking: 'Dat kost veel tijd' of 'Ik heb er veel tijd mee verloren'. Als je het even laat binnenkomen, is het toch gek? Dat je tijd zou kunnen verliezen, alsof het een voorwerp is. Het is er toch altijd en in overvloed? Een Kameroener zul je nooit horen zeggen dat hij geen tijd heeft. Hij is bezig of niet. Je kunt ook geen tijd met hem afspreken. Hij komt of hij komt niet. En simpeler kunnen ze het niet maken. Als een Kameroener een hele dag ergens heeft zitten 'wachten' en datgene gebeurt niet waarvoor hij/zij daar heeft gezeten, komt ie niet thuis en zegt: 'Heb ik daar toch de hele dag voor niets zitten te wachten!' Nee, niets van dat alles dunkt mij. Waarschijnlijk zal manlief of vrouwlief vragen: 'En? Is het gelukt?' 'Nee', zal zijn/haar wederhelft zeggen. 'Morgen dan maar weer,' zal het slotantwoord zijn. En zo simpel kan het leven zijn, mensen!

Natuurlijk, rustig maar, ik voel de wederstand hier! 'Daarom zijn wij rijk en zij arm', hoor ik je denken. En wellicht zit daar een kern van waarheid in (buiten het feit dat ze hier ook behoorlijk door 'ons' zijn uitgebuit en nóg...maar dat behandelen later nog wel een keer). De vraag is: maakt rijk zijn gelukkiger? Is het de schat waard, zo gezegd? Als je ziet hoeveel mensen er alleen in Nederland al rondlopen met een burn-out of andere stress-klachten, is dat toch een reële vraag. Zijn wij als slaven van de tijd per definitie zoveel wijzer, omdat we daar geld mee kunnen verdienen?

Maar misschien nog belangrijker is de vraag: kunnen we geen combinatie maken van the best of all? Dus, we laten ons niet meer beheersen door tijd alsof we geen keuze hebben, maar gebruiken de tijd wel om zo efficiënt mogelijk te werken. Zo slaan we twee vliegen in één klap. Ik kan niet wachten tot de tijd er rijp voor is!

Door: Marijke

zondag 16 oktober 2011

Moord op een ranger


Kameroen kent nog een paar schimmige gebieden waar de wetteloosheid regeert. De jungle in het zuidoosten is zo’n voorbeeld. Daar aan de grens met Congo-Brazzaville en Centraal-Afrika spelen zich zaken af die net zo duister zijn als de bodem onder het dichte bladerdak.  Bandieten en gelukszoekers bewegen zich door een niemandsland van lianen, stekelig struikgewas en zompige kreken. Speurend naar goud, diamanten, ebbenhout en jachttrofeeën. Het is er levensgevaarlijk als ik de verhalen van enkele kennissen mag geloven.
Op 27 september ging ranger Zomedel Pierre Achille met zijn collega en enkele helpers op patrouille. Werkzaam voor het Wereld Natuurfonds bewaakt hij een uitgestrekt wildreservaat even ten noorden van Nationaal Park Lobéké. Achille wist dat er zeldzame dieren zoals de laaglandgorilla, de chimpansee en de bosolifant huisden;  hij had immers vaak genoeg de sporen gezien en soms had hij het geluk een glimp van de beesten op te vangen. Maar hij wist ook dat de dieren enorm gewild waren bij stropers. Het ivoor van de olifanten, het gorillavlees voor magische krachten, de babychimpansees als huisdieren. Alles gaat de grens over naar handelaren die grof geld verdienen aan dierenleed.
Die regenachtige dag trok Achille met zijn team diep het reservaat in. De helpers kapten zich met machetes een weg door het groen, Achille en zijn collega volgden in hun kielzog. De regen die met bakken uit de hemel viel overstemde het monotone tsjirpen van de cicaden en het gezang van kikkerkoren. De roodbruine modder kleefde aan hun laarzen en maakte het stappen steeds zwaarder.
Na ongeveer vijf kilometer stuitten ze op een kamp. Er stonden twee hutten, er lagen wat proviand en enkele bidons naast een zwartgeblakerde plek. Onder een provisorisch dak van palmbladeren hingen twee dode gorilla’s te drogen. Ze waren net gevangen, het bloed droop nog van de vachten. Alles wees erop dat de stropers in de buurt waren. Waarschijnlijk waren ze de vallen aan het controleren.
De helpers gingen terug, Achille en zijn collega besloten te wachten. Ze verborgen zich in het struikgewas om de lieden op heterdaad te betrappen. Twee, drie uren gleden voorbij. De regen stopte. Het woud glansde in de middagzon. Een neushoornvogel vloog verschrikt op. En toen klonk het geluid van stemmen uit de jungle.  
Een groep mannen naderde het kamp. Achille kon de contouren van hun lichamen van de groene achtergrond onderscheiden. En hij zag tot zijn schrik dat ze zwaar bewapend waren; ze droegen kalashnikovs op de schouders.
Op een twintigtal meters afstand hielden de mannen plotseling halt. Misschien was het de afdruk van een laars in de modder dat hun aanwezigheid verried; of misschien voelde het instinct van de door de wol geverfde stropers aan dat er iets niet in de haak was. De lopen van de kalashnikovs wezen ineens richting het struikgewas waar Achille en zijn collega zaten. De hinderlaag was ontdekt.
De twee ongewapende rangers kwamen tevoorschijn en werden direct getrakteerd op een kogelregen. Achille werd in de borst geraakt en viel voorover. Zijn collega probeerde hem weg te slepen, terug het struikgewas in, maar werd door een tweede salvo in de arm geraakt. Met zijn andere arm deed hij nog een dappere poging Achille in veiligheid te brengen. Tientallen meters worstelde hij met zijn lichaam half op zijn rug door de dichte begroeiing, maar de belagers begonnen hen in te sluiten. De collega moest Achille achterlaten en vluchtte halsoverkop de jungle uit.
Ondanks de hevig bloedende arm slaagde de ranger erin het dichtstbijzijnde dorp te bereiken en zijn verhaal te doen. Van daaruit werd het nieuws doorgeseind naar Yokadouma, de provinciehoofdstad. Er werd een team van de commando’s van de BIR (de special forces) ingeschakeld. Samen met enkele rangers arriveerden die bij het reservaat. Het was al gaan schemeren, maar ze besloten om de jungle in te trekken op zoek naar Achille en de stropers.
Van de stropers geen spoor meer. Van Achille wel. Om vijf uur in de morgen werd zijn lichaam gevonden. Geheel naakt en vastgebonden aan een boom. Volgens een lid van de BIR-brigade wees alles erop dat Achille was gemarteld alvorens ie was gelyncht.
Het Wereld Natuurfonds maakte het treurige nieuws bekend in een persbericht. En bracht meteen naar voren dat de rangers slecht uitgerust zijn om het gevecht aan te gaan met de georganiseerde misdaad. ,Het ministerie moet hun goede vuurwapens geven zodat ze kunnen reageren op aanvallen van stropers’, liet een woordvoerder weten.
Ik weet niet of dat wel de oplossing is. In de dichte jungle van het zuidoosten kunnen stropers achter elke boom staan. En het is goed mogelijk dat ze voortaan nog sneller zullen schieten om de wapens van de rangers te bemachtigen. Goede kans dat ze daarbij geen getuigen levend willen achterlaten.
Ondertussen gaat de handel in ivoor, vlees en huiden door. En blijft stropen in het niemandsland van Kameroen een bijzonder lucratieve business.
Door Jeroen

maandag 10 oktober 2011

Verkiezingen

Gisteren werden de presidentsverkiezingen gehouden en dat betekende voor ons, les blancs, uit voorzorg de hele dag binnen blijven. We hadden op aanraden van onze organisatie ook een voorraad blikvoer en flessen water ingeslagen. Want je weet het maar nooit: de vlam kan zomaar in de pan slaan. Maar laat het nou net het mooiste weer zijn geweest van de afgelopen twee maanden. Azuurblauwe lucht, een unicum in deze zompige regentijd. Het zwembad was helaas een straat te ver.
Maar de vrees voor het uitbreken van rellen is tot nu toe –gelukkig- ongegrond. Het is de hele week al opvallend rustig in de hoofdstad. Geen rallies van politieke partijen, geen schreeuwerige menigte. Dat heeft alles te maken met het feit dat de winnaar al vaststaat. Huidig president Paul Biya zal na tweeëndertig jaar in het zadel te hebben gezeten, opnieuw voor zeven jaar bij tekenen. Daar hoef je geen politicoloog voor te zijn: andere kanshebbers zijn er namelijk niet. Het is a one man show.
Meneer de president geniet van zijn positie. Na eerder met de machthebbers van China en Brazilië warme banden te hebben aangehaald, ging hij afgelopen week op campagne in Douala, de grote havenstad van Kameroen. Vanuit zijn paleis trok hij met zijn gevolg door onze wijk. De avenue werd afgezet met een agent om elke vijfentwintig meter en zwaar bewapende militairen op de kruispunten. Ik hield even de pas in om een glimp op te vangen van de president, maar de dichtstbijzijnde soldaat beval me door te lopen. ,Je weet het maar nooit met die blanken’, moet hij gedacht hebben. 
Vanachter de struiken kon ik toch het konvooi aanschouwen van peperdure wagens en veel, heel leden van de presidentiële garde. In welk voertuig de president zelf zat, was gissen door de geblindeerde ramen. Waarschijnlijk de witte Mercedes in het midden, maar misschien speelde hij verstoppertje.
In ieder geval zag ik hem uren later met gejuich onthaald worden in Douala. Op het beeldscherm in het eettentje waar ik zat te lunchen, kwam de president in stijl aan. Begeleid door acht lijfwachten in driedelig pak en handschoentjes aan, die rennend de limousine bijhielden. Het zweet brak me uit bij het zien van die puffende, breedgeschouderde mannen. Maar de menigte vond het geweldig. Ze danste en een aantal met medailles behangen personen stond in de rij achter de microfoon om de president met speeches te onthalen. De ene lofuiting was nog meeslepender dan de andere, maar ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat de 78-jarige Biya soms een beetje indommelde. Met de ogen open natuurlijk. Daar kwam het ware vakmanschap van de routinier naar boven.
Bij mij op kantoor maakte ik een rondje. Op wie de collega’s gingen stemmen? Biya, antwoordde er een, want de oppositie kan geen vuist maken. Een ander zei helemaal niet te stemmen. ,Er wacht niets aan de horizon’, liet hij enigszins moedeloos weten.
Onze bewaker maakte het bonter. Hij kwam net terug van het stemmen, toen ik de benen ging strekken in de tuin. ,En voor wie heb je gestemd?’, vroeg ik. ,Ach’, zei hij vrolijk. ,Ik heb er gewoon een op de gok aangekruist. Die heeft geluk gehad.’ Wie de gelukkige van de 23 kandidaten was geweest, kon hij zich al niet meer herinneren. Het was in ieder geval niet Biya.        
People’s choice is de slogan van deze verkiezingen. Meneer de president wil groots uitpakken. Stuwdammen in het oosten, het spoorwegennet vergroten, de bouw van een diepzeehaven bij Kribi. En dan nog de lieve vrede bewaren in een land van meer dan tweehonderd stammen. Ik geef het hem te doen. Als hij inderdaad de horizon gaat vullen, is in slaap dommelen er voorlopig niet meer bij. Ook niet met de ogen open.
Door Jeroen

zondag 25 september 2011

De laatste gorilla's van Messondo

Twee eekhoorntjes rennen door de tuin en verstoppen eikeltjes in de grond. Eekhoorntjes & eikeltjes? Jawel, ik ben voor vakantie even terug in het Eindhovense. In de achtertuin van mijn ouders, aan de bosrand, waar de pluizige beestjes vrolijk zitten te wezen in de stralen van de waterige nazomerzon. Kneuterig, maar o zo vertrouwd is het beeld van deze schepsels van de ‘wilde’ Nederlandse natuur.
Het is goed toeven met een glas Bavaria in een comfortabele tuinstoel. Maar vannacht was ik weer terug in de regenwouden van Messondo. Ik bevond me te midden van een troep laaglandgorilla’s. Ze keken angstig uit hun ogen, die beesten, en ze krijsten. Geweerschoten dreunden als granaatinslagen om ons heen. Een gorilla tuimelde voor over, tussen de lianen. Daar bleef ie roerloos liggen. Uit zijn glanzende vacht spoot een straal bloed. De rest van de troep loste op in het groen. Bezweet schrok ik wakker.
De nachtmerrie over de gorilla’s van Messondo kwam niet als donderslag bij heldere hemel. Het is een tastbare herinnering, een voortvloeisel van een bezoek aan de dorpen rond het woud, nu precies een week geleden. Toen zei de chef du village van het aangrenzende dorp: ,,We hebben een probleem. De gorilla’s worden gestroopt. In de afgelopen maand al drie.’’ Als bewijs toonde hij me een foto, gemaakt met zijn mobieltje. Een zwart lijf met schotwonden ter hoogte van het schouderblad. ,,Wat kunnen we er tegen beginnen?’’, vroeg hij zich vertwijfeld af.
Ik heb het met de dieren te doen. Ergens rond de dertig laaglandgorilla’s zouden er nog rondzwerven in het woud van Messondo. Het zijn geen aaibare eekhoorntjes. Wel levende fossielen uit een tijd dat mensen en apen nauwelijks van elkaar te onderscheiden waren. Wie ooit de kans heeft gekregen om in de ogen van een gorilla te kijken, ziet de blik van onze voorvaderen. Littekens van een leven vol ontberingen. En laatst, in een gebied ten westen van Messondo, verwonderde ik me over een babyaapje. Drie weken oud, -de moeder was in de maag verdwenen van een paar dorpelingen-, scharrelde het beestje tussen de woningen. De jager die zijn ouders had geschoten, beschouwde ie als een surrogaatmoeder. Hij klom in de jongen als ie zich bedreigd voelde en sliep op zijn schoot in de namiddag. Met die tengere vingertjes en zijn onbegrensde nieuwsgierigheid was ie net een mensenjong van een jaar oud.
Maar goed, de laaglandgorilla’s van Messondo zitten in een precaire situatie. Gevangen tussen de houtkapmaatschappij die de bomen opvreet en aan de andere kant de rivier Union, een onneembare hindernis want de apen zijn als de dood voor het kolkende water. Nu komen de stropers daarbij. Het vlees is gewild, een delicatesse en een potentieverhogend middel voor de elite. Wie de hoogste autoriteit wil pleasen, biedt de gast een stuk gebraden arm. Dat geeft kracht.
Gorilla’s doden is bij de Kameroense wet verboden. Maximaal drie jaar gevangenisstraf staat ervoor, als je op heterdaad wordt betrapt. ,,We kennen de daders’’, zei de chef du village. ,,Het zijn mensen van hier.’’ Maar, voegde hij er onmiddellijk aan toe, dat ligt gevoelig. ,,Wie gaat ze aangeven?’’ We besloten op die dag dat het beter was om voorlichting te geven tijdens de komende dorpsvergaderingen. Om het belang van de gorilla’s voor het behoud van het bos te onderstrepen. Want met het eten van de vruchten zorgen ze voor de verspreiding van de boomzaden. En we concludeerden eensgezind dat ze met hun gedrag en voorkomen wel heel dicht bij ons mensen staan. ,,Als jullie ze dat kunnen overbrengen, hebben we al een hoop gewonnen’’, waren de slotwoorden van de chef. ,,Want naar jullie willen ze luisteren.’’
De eekhoorntjes rennen over de takken van de fijnspar. De eikels zitten in de grond. Ik sta op om nog een Bavaria uit de koelkast te nemen. Ondertussen pijnig ik mijn hersenen over de vraag of de laatste gorilla’s van Messondo van de ondergang gered kunnen worden. Zal het lukken?
Door Jeroen

donderdag 8 september 2011

De buitenvrouwen van Eseka

Jaren geleden hoorde ik van een Surinaamse vriend dat er buitenvrouwen bestaan. Vrouwen die je naast je vriendin of echtgenote hebt. Meestal voor de seks, soms ook als luisterend oor voor verhalen waar je vaste partner allang geen zin meer in heeft omdat ze al te vaak zijn verteld. Of gewoon als vrolijk gezelschap om stoom af te blazen na een paar dagen in een omgeving ver van huis.
In Kameroen kennen ze het fenomeen ‘petite’. Letterlijk vertaald: kleintje. Een vriendinnetje voor erbij. Nu ik steeds meer in de Kameroense cultuur geïntegreerd raak, zie ik de petites oppoppen als champignons in vruchtbare aarde. Mijn vrienden hebben er een, mijn collega’s ook, zelfs de bewaker heeft zo zijn petite om zich te onttrekken aan de eenzaamheid van de lange, tropische nachten.
Eseka is een stadje in het westen van het land. Als je vraagt aan een inwoner wat er de trekpleister is, zal ie antwoorden: ,,We hebben een station.’’ Ooit was er een grote houtzagerij, maar met de onafhankelijkheidsstrijd hebben de Fransen ‘m in brand gestoken. Eigenlijk is Eseka een dorp van een paar straten groot met een hoop bepleisterde en lemen woningen uitgestrooid in een vallei. En oh ja, er loopt een verharde weg als een aorta dwars door het hart van het plaatsje. Met aan weerszijden bars waar overdag de straathonden in de schaduw slapen.
We waren er voor een workshop over bosbeheer. Vijfentwintig deelnemers arriveerden uit het zuiden en het oosten. Allemaal jonge mannen, voor een week van huis. We namen onze intrek in een hotel waar we de badkamer moesten delen met de kakkerlakken. Na de eerste dag van theorie, was daar de ontspanning van de avond. De boulevard met zijn bars kwam tot leven.
Overal klonk luidruchtige muziek uit de speakers. Een grote orgie van lawaai eigenlijk, want de boxen zijn zo overstuurd dat je alleen nog een dreunende bas hoort. Geen probleem voor mijn collega’s: we namen drie tafels en gingen er in een kring omheen zitten. Acht mannen, even zoveel flessen bier.
Ik denk dat het tien minuten duurde voor de eerste petite verscheen. Ergens in de twintig, kort rokje, kleurige haarextensions die tot de schouder reikten. Ik weet niet wie haar precies had uitgenodigd, maar ze nam meteen de stoel die haar werd aangereikt en leek zich op haar gemak te voelen. Er werd een fles bier voor haar besteld en mijn collega’s bogen zich een voor een naar haar toe, met een glimlach op hun gezicht. Ze begon te bellen en weldra draafden er meer petites op. Onze kring breidde zich snel uit. En tegen de tijd dat het derde rondje werd besteld, waren er bijna evenveel vrouwen als mannen in onze groep.
Je zou kunnen denken: het zijn gewoon ordinaire prostituees. En die eerste die arriveerde, is de hoerenmadam. Het ligt echter genuanceerder, heb ik begrepen. Sommige laten zich inderdaad betalen, vragen tweeduizend cfa (3 euro) om de nacht op de hotelkamer door te brengen en natuurlijk moet hun drankrekening betaald worden. Voor anderen is het een kans om een vriendje te krijgen. Eentje die af en toe op bezoek komt als hij in de buurt is. En dan geen geld hoeft te geven, maar wel cadeautjes. Of de hoop op een toekomst samen.
Afijn, ik bleef niet heel de nacht in de kroeg hangen, daar had ik geen trek in, maar de volgende morgen zag ik wel brakke koppen die er anders over hadden gedacht. Sommige hadden hun kater achter donkere zonnebrillen verborgen, anderen vielen rond het middaguur plotseling in slaap. En dat lag niet aan de inhoud van de presentaties (tenminste dat hoop ik niet).
Een week lang was het feest in Eseka. Elke avond zag ik, waar ik ook kwam, mijn collega’s met petites. Bij het tentje waar ze geroosterde kip verkochten, in de straten waar ze hand in hand liepen en in de bars. Mijn chauffeur vond ik terug aan de kant van de hoofdstraat waar hij van een mollige vrouw een visje kreeg. Hij at het op met een grijns op zijn gezicht en zij keek verliefd naar hem.
De laatste avond was er cabaret in een van de kroegen. Cabaret hier betekent een live optreden van muzikanten, met danseressen en bier die net iets duurder is dan elders omdat de eigenaar zijn investering eruit moet halen. Ik was er dit maal alleen met mijn chauffeur naar toe gegaan; de rest van de club zat met een petite her en der in de stad verspreid.
,,En jouw petite?’’, vroeg ik hem, toen we een bier hadden besteld. ,,Zal wel zo komen’’, zei hij. ,,Weet ze dat je hier zit?’’. ,,Nee, nog niet’’ antwoordde hij. ,,Maar dat kanniet lang duren.’’ Hij bracht daarop wijsvinger en duim naar zijn oog en vergrootte het. Ik begreep het: Eseka was net een dorp waar iedereen alles van iedereen wist. Zijn petite die een straat verderop visjes stond te bakken, zou snel lucht krijgen van zijn aanwezigheid hier.
Drie kwartier later plofte er een handtas op de schoot van mijn vriend. De petite was gekomen. Ze had zich gehesen in een legging en topje. De vislucht was verdoezeld met een flinke lading mierzoete parfum. ,,Mijn schatje’’, zei ze tegen hem. Ik gaf haar mijn stoel, want na zo’n lange week was ik eindelijk blij dat iemand me af kon lossen en ik een goede nachtrust had.
Wat mijn chauffeur die nacht allemaal had gedaan, hoef ik niet te weten, maar de volgende morgen had hij rood doorlopen ogen. De deelnemers waren inmiddels vertrokken naar huis met een koffer vol herinneringen en wij besloten na het ontbijt om ook maar eens op te stappen.
Op weg naar Yaoundé ging de mobiel van mijn chauffeur over. Of ik even op kon nemen, want hij zat immers achter het stuur. ,,Alo?’’, zei ik. En toen volgde de tirade van een vrouwenstem. Waarom ik om tien uur niet naar de markt was gekomen en waarom ik haar geen credit voor haar telefoon had gegeven. Twee minuten luisterde ik ernaar zonder een woord te spreken. Toen wuifde mijn chauffeur met zijn hand en drukte ik op ‘ophangen’.
Sinds dat belletje heeft hij het niet meer over zijn petite. Blijkbaar heeft hij geen luisterend oor meer nodig voor verhalen waar zijn vrouw geen zin in heeft omdat ze al te vaak zijn verteld.
Door Jeroen

woensdag 17 augustus 2011

Olifantenvallen, hekserij & een woeste rivier

Ooit van een olifantenval gehoord? Dat is een kuil van ruim twee meter diep en drie meter doorsnee, met scherp geslepen stokken die als spiesen uit de bodem steken. Het geheel wordt aan het oog onttrokken door een mat van dunne twijgen en bladeren. Menig bosolifant stapt daar in als ie nietsvermoedend door de jungle struint. Tragisch voor het dier natuurlijk, maar een feestmaal van een week voor het hele dorp.
Afgelopen keer was het geen olifant, maar een lid van het inventarisatieteam waarmee wij samenwerken die letterlijk in de val liep. Terwijl hij de bomen aan het tellen was in het woud van Messamena (oostelijk Kameroen), tuimelde hij erin. Een van de spiesen doorboorde zijn lies en linkerbalzak. Sindsdien ligt hij in het ziekenhuis en plast hij bloed.
Pech? Nee, zeggen de dorpelingen van Messamena, hij heeft juist de bescherming gekregen van de bosgeesten. Want als de teamleider niet vooraf aan de inventarisatie samen met de witchdoctor een offer had gebracht om de spirits van de jungle tevreden te stellen, was onze medewerker nu morsdood geweest. Dan was hij net iets meer voorover gevallen en had een spies zijn hart doorboord.
Deze week ben ik mee geweest voor een bosinventarisatie. In een afgelegen gebied in het zuiden des lands. Als basiskamp hadden we het dorpje Tomba uitgekozen. Een gehucht eigenlijk, zonder elektriciteit of andere voorzieningen, en met een bevolking die verzot is op palmwijn. Vrijwel iedereen was dronken van het spul op het moment dat we daar arriveerden en bleef dat ook in de dagen erna. Zo’n plaatsje dus.
Maar goed, dronken of niet, we gingen de jeugd rekruteren voor de inventarisatie van hun bos. Daarvoor hadden we dertig goedgebouwde jongemannen nodig die met een machete in de hand de grenzen van het woud moesten kappen. Een klus van ongeveer een maand. Naar lokale omstandigheden redelijk betaald en ze kregen twee gratis maaltijden per dag op de koop toe. Dat zou door twee dames worden bereid met de zakken rijst en bonen die we hadden gebracht.
Het rekruteren ging ons gemakkelijk af. De jeugd kwam en was bereid te werken (ze eisten nog wel een salarisverhoging van 30 procent, maar allé). Vervolgens liepen we met de chef de village naar de plaatselijke witchdoctor. We dronken samen palmwijn en gaven de hoogbejaarde man plastic builtjes whisky die we ter plekke voor 100 CFA (15 eurocent) per stuk kochten. Na vier van zulke builtjes zei onze vriend dat hij de geesten van het woud om bescherming zou vragen. Morgen konden we zonder problemen aan de slag. Dat was een hele geruststelling, want we hadden gezien dat een wilde rivier het woud van het basiskamp scheidde. Tevreden reden we tegen de avond met een jeep terug naar een dorp twaalf kilometer verderop. Daar was een hotelletje met een goed bed en, belangrijker, gekoeld bier. Palmwijn komt op een gegeven moment ook je strot uit.  
Die ochtend vertrokken we om half zes naar het basiskamp. Het was nog aan het schemeren toen we halverwege op een menigte stuitten. Onze chauffeur draaide het portiersraampje open om polshoogte te nemen. Er was een ongeluk gebeurd, zei een aanwezige. Twee motors waren frontaal op elkaar gebotst. Twee tieners op de ene, drie op de andere. De ene motorrijder van net twintig was ter plekke overleden, de andere van 13 jaar in het ziekenhuis van het dichtstbijzijnde stadje. Van de drie passagiers was de toestand kritiek.
Toen we de gecrashte motors en de plas geronnen bloed zagen, zeiden mijn collega’s meteen: ,,C’est la sorcellerie.’’ (Dat is hekserij). Waarom?, vroeg ik. ,Moet je zien op een recht stuk weg’, zei degene die achter me zat. ,En die ene is hier op de plek gestorven.’ Voor alle inzittenden (ik uitgezonderd) was het ongeval reeds een uitgemaakte zaak. Iemand die op slechte voet stond met de motorrijder van 20 had zwarte magie aangewend om hem te doden. En daarvoor hadden ze hem met de jongen van 13 laten botsen. Dat de boodschapper van het kwaad daarbij later in het ziekenhuis was gestorven en nog drie anderen ernstig gewond, was –zo gezegd- ‘collateral damage’.
De motorrijder van 20 was van het dorpje Tomba, dus toen we daar arriveerden was het hele dorp in rouw (en dronken). We kunnen nu geen jongeren het bos in sturen, zei de chef du village. Logisch, antwoordden we. Morgen dan maar. We checkten nog wel de oversteek. Twee medewerkers hadden een liaan gespannen; daaraan moest iedereen zich vasthouden wanneer ze door de rivier zouden waden.
De volgende morgen hadden zich drieëntwintig jongemannen verzameld. Een aantal kwam uit een gehucht op vier uur lopen. Iedereen kreeg een bord rijst en een machete. Daarna verplaatsten we ons naar de rivier. Het had de afgelopen nacht geregend, dus de stroming was sterk. Achter de oversteek kletterde het water tegen de rotsblokken. We waren niet gerust op een goede afloop. De geesten van het woud boden bescherming, maar wat als een jongen midden in de rivier de grip op de liaan verloor? Dan was het gedaan. Ook al was ie nog zo’n goede zwemmer.
Uiteindelijk besloten we een flinke boom aan de oever om te laten zagen. De houtkapper was niet zo behendig met de motorkettingzaag, dus bleef het blad in het hout steken. Drie uur lang kapten de mannen vervolgens beurtelings met hun machete. Tot de woudreus kreunde en met een donderend geweld in de rivier viel. Precies tot de overkant. Een ‘pont de singe’ (apenbrug) was gemaakt.
’s Avonds, na een dag van noeste arbeid, reden we weer terug naar ons hotelletje. De weg werd een langgerekt, leeg lint in het licht van de koplampen. Totdat in een bocht plotseling een ander fel licht op ons afstoof. Onze chauffeur kon het opdoemende gevaarte maar net ontwijken. Het bleek een motor. Met drie jongens erop. Toeterzat..           
Door Jeroen