Pagina's

zondag 29 juli 2012

Minstens zo goed, stukken goedkoper

Tot eind vorig jaar zat er een zieltogende kruidenierswinkel tegenover ons appartementencomplex. Het was van een Italiaan met glimmend, achterover gekamd haar en om elke vinger twee ringen. In de schappen lag pasta uit Milano, maar ook Kameroense filterkoffie en Franse wijn. Hij bakte pizza’s, er was een groenteafdeling en een slagerij. Vlees bestellen ging wat moeizaam: dikwijls hing de bediende op een stoel te snurken. Met zijn hoofd plat op de toonbank. Daar geneerde hij zich overigens niet voor.
Omdat de eigenaar er glad uitzag en Italiaan was bovendien, spraken boze tongen uit de buurt over witwaspraktijken van de Cosa Nostra. Waarom zou zo’n gast anders in Kameroen een kruidenierswinkel beginnen? Maar als dat het geval was, dan had ie het toch niet goed aangepakt. In de maanden na onze intrek in het appartement zagen wij de hoeveelheid waar op de schappen wekelijks slinken. Van de verse groenten waren op het laatst alleen uien en een bos radijsjes over, de pasta en de wijn werden niet meer aangevuld, de slagerij sloot en de pizza cuatro estaciones was gedegenereerd tot een bodem bestreken met tomatenpuree en gegarneerd met champignons uit blik. De Italiaan stond op een gegeven moment zelf achter de kassa om personeelskosten uit te sparen.
Toen het nog slechts een kwestie van dagen zou zijn, eer de winkel sloot, kwam er plotseling een scheepslading Italiaanse producten binnen. Hompen mozzarella, pasta in allerlei vormen en kleuren. De pizza’s werden weer belegd met salami en artisjokkenhartjes. Maar de opleving was eenmalig en van korte duur: begin december viel het doek definitief.

De Franse winkelgigant Casino kocht daarop het pand van de Italiaan en dat was waarschijnlijk de beste zet van onze kruideniersmaffia ooit. De drie man personeel die waren overgebleven, werden zelfs in dienst genomen door de nieuwe eigenaar: iets waar die gasten zelf ook versteld van stonden. De Italiaan vertrok voor een gondeltocht naar Venetië, waarschijnlijk in gezelschap van een nieuwe, twintig jaar jongere vriendin en Casino sloot drie maanden de deuren om de zaak ‘op orde te brengen‘.
Bij de opening ergens eind maart oogde de nieuwe indeling vrij sober. De schappen zaten weer vol, maar het waren producten van gemiddelde kwaliteit. Basisproducten, geen poespas. Maar gaandeweg kwamen er steeds meer luxeproducten bij. Het begon met Lays chips, gevolgd door gerookte zalm, olijven met amandelvulling en Orangina Light. En kijk nu. De slagerij is weer tot leven gewekt met paté de campagne, entrecote en kalkoensalami. Casino heeft zich duidelijk op een publiek gericht dat flink wat te besteden heeft. Niet verkeerd: Lays bolognese in het weekend is een feest.

Maar de producten die deze week in de schappen zijn gelegd, slaan alles. Er ligt Casino-brood, een halve mik fabrieksboterhammen voor 4 euro, terwijl een versgebakken stokbroodje verderop twintig eurocent kost. Verpakte Emmentaler kaas, 8 plakken voor 5,5 euro. Vleestomaten: zeven euro de kilo (lokale tomaten voor één zesde van de prijs). Een bakje champignons voor 12 euro. Wie koopt het? En toen ik langs de koeling liep, zag ik een literfles Yoplait-yoghurtdrink voor 15 euro. Frambozensmaak weliswaar, maar v-ij-f-t-i-e-n euro voor een fles veredelde Yogho Yogho?! Ja, het was echt waar. ‘Par avion‘ stond er als lokkertje onder geschreven. Rechtstreeks ingevlogen vanuit de voorraadmagazijnen van Casino France. Dagvers. Het moet niet gekker worden.

Kan het ook anders? Jawel. Een Albert Heijn er neer planten met allemaal euroknallers. Dit gouden idee kreeg ik toen ik gisteren op straat een zwerver tegenkwam. Hij was aan het scharrelen bij de vuilcontainer en droeg een blauwe stofjas. Waarschijnlijk zo een van een Leger des Heils-actie want het stikt hier van de tweedehands textiel uit Europa. Op de rug was een tekst gedrukt. ‘AH Huismerken. Minstens zo goed, stukken goedkoper.’ De prijzenoorlog in Yaoundé mag wat mij betreft beginnen.        

Door Jeroen

zondag 24 juni 2012

De wilde gorilla's van Oost-Kameroen

Nationaal Park Lobéké herbergt een van de hoogste concentraties aan gorilla’s, chimpansees en bosolifanten in heel Afrika. Zou het ons lukken om een glimp van deze dieren op te vangen?
Petit Jean, onze gids, is stellig bij aanvang van de tocht. ,,Als jullie gorilla’s willen zien, dan niet roken, geen Deet op en geen geld mee’’, zegt de pygmee die behoort tot de Baka-stam. Dat van die sigaretten en het bijtende muggenspul begrijpen we, maar geen geld mee? ,,Dieren houden er niet van’’, is zijn antwoord. ,,Zodra ze het ruiken, verstoppen ze zich.’’ We keren onze zakken binnenste buiten en geven de biljetten aan de chauffeurs die achterblijven. Het zou zonde zijn als we een gorilla zouden missen, simpelweg omdat er nog 100 cfa in de pocket zit.
Voor de dieren, en dan in het bijzonder voor de gorilla’s, hebben we de barre tocht naar het uiterste zuidoosten van Kameroen ondernomen. Vanaf Yaoundé is het twee volle dagen rijden. Eerst over keurig asfalt naar Bertoua, de provinciehoofdstad van het oosten. Daarna maakte het teer snel plaats voor een zandweg vol richels en geulen die je het gevoel geven alsof je constant een drilboor vasthoudt. Lastwagens met enorme stammen op de trailer, de zogenaamde grumiers, scheuren je tegemoet en laten een wervelwind van stof achter die de gehele omgeving van een roodbruin laagje voorziet. De bomen, de dorpen langs de weg, het dashboard, het binnenste van je neusgaten: niets wordt gespaard. Maar wie het urenlange schudden, het slapen met kakkerlakken op de tussenstop, de brandende tropenzon achter het glas en het alles bedekkende stof weet te doorstaan, wacht aan het einde van de tweede dag nationaal park Lobéké. 220.000 hectare ongeschonden regenwoud, een paradijs voor gorilla’s, chimpansees en bosolifanten. Wie dat in het achterhoofd houdt, slaapt heerlijk in het bed van kamp Kombo, een onderzoeksstation van het WWF aan de ingang van het park.
De morgen na de aankomst wacht ons dus de speurtocht met Petit Jean naar de gorilla’s. Twintig kilometer leggen we met de Landcruiser af; vervolgens zullen we zes kilometer door de jungle wandelen om uiteindelijk bij een open plek uit te komen. Petite Savanne heet het daar. Er staat een observatiehut en het gebied wordt regelmatig bezocht door veertien groepen gorilla’s zo heeft onderzoek van WWF uitgewezen. Ze eten van de mineralen die na een regenbui in de leemgrond achterblijven. Grote kans dat we daar de grootste mensapen van Afrika zullen treffen. Hoewel een van de tweede gewapende eco-guards die ons begeleiden, daar nog niet zo zeker van is. ,,Het blijven natuurlijk wilde beesten’’, zegt hij. ,,Je kunt er geen pijl op trekken.’’
Het pad slingert door het regenwoud. Zulk dicht bos is heel wat anders dan een savanne of moerasgebied: al het leven speelt zich af in het kronendak, pakweg zo’n 30 tot 40 meter boven ons. We horen vogels, maar zien ze niet. De bodem ruikt naar stervend blad en het is vochtig. Vuistdikke lianen nemen stammen in een wurggreep. Het valt niet mee om de wortelstokken en de met een machete afgehouwen stammetjes te ontwijken. De laatste steken puntig net boven de grond uit en geregeld struikelt iemand van onze groep erover. De gids, de twee eco-guards en de drie dragers zijn beduidend handiger.
Na een half uur staat Petit Jean stil. Zijn neus gaat de lucht in. ,,Ik ruik gorilla’s’’, fluistert hij. Hij weet waarover hij praat: als kleuter werd hij door zijn ouders al mee het bos ingenomen om dieren op te sporen. Vijftig meter verderop wijst hij naar een boom. In de onderste takken hangt een mat van bladeren. ,,Het nest van een gorilla’’, verduidelijkt de eco-guard. Later zal hij vertellen dat solitaire dieren vaak een slaapplaats boven de grond maken om zich veilig te wanen voor panters, maar op dit moment lopen we zwijgend door. Wanneer een van ons opnieuw struikelt, kijkt Petit Jean achterom en brengt de wijsvinger naar de lippen. Voorzichtig, het dier kan nog in de buurt zijn.
We lopen een paar minuten behoedzaam door. Als de hoop op een gorilla is vervlogen, klinkt er plots gekrijs vanuit het groen. Schrille kreten die het hart sneller doen kloppen. Daar ergens achter die  muur van stammen, lianen en struiken moet hij zitten. En zo te horen is het dier nerveus. De eco-guard brengt zijn geweer in de aanslag, terwijl Petit Jean zich met de machete razend snel een weg door het struikgewas baant en ons gebaart te volgen. Dat is voor toeristen van de Hollandse en Vlaamse klei makkelijker gezegd dan gedaan; als een horde olifanten stommelen we achter hem aan. Petit Jean’s arm gaat nu regelrecht naar voren. In het verlengde van zijn vingertoppen moet de gorilla zitten. En inderdaad beweegt er iets op zo’n twintig meter afstand. Het geluid van brekende takken, een silhouet flitst tussen de stammen en weg. Het had ook een everzwijn of bosantilope kunnen zijn. Toch noteren we de eerste gorilla van de trip.
Lobéké is een betrekkelijk jong park. Opgericht in 2001 om het uit handen te houden van hongerige houtkapmaatschappijen, herbergt het een uitbundig planten- en dierenleven. 45 soorten zoogdieren en meer dan 300 vogelsoorten zijn er geteld. Onder de dieren bevinden zich laaglandgorilla’s, bosolifanten, bongo’s, panters, buffels en een grote variatie aan duikers, een kleine bosantilope. De dichtheden aan gorilla’s, olifanten en chimpansees behoren tot de hoogste van Afrika. Wat vogelsoorten betreft is de grijze roodstaartpapegaai alom vertegenwoordigd. En dan heb je nog 215 vlindersoorten, in de meest uiteenlopende kleuren en grootte. We zullen tijdens ons verblijf duizenden exemplaren zien, in een bonte mengeling neergestreken bij de poeltjes langs de weg.
Petite Savanne is een van de weinige open plekken in Lobéké. Vanuit een hoogte van een meter of zes –de observatiehut is op palen gebouwd- kijken we uit op een grasvlakte van een voetbalveld groot. In de vroege morgen en tegen de avondschemering zouden hier groepen gorilla’s foerageren. En in de regentijd, zo gaat de gids verder, lopen de kuddes olifanten onder de hut door. Tientallen pootafdrukken staan als bewijs gegraveerd in de gebarsten bodem. Maar nu rond het middaguur op het hoogtepunt van de droge tijd is het opvallend stil. Met verrekijkers kammen we de omgeving af. Er zitten wat rallen en een sitatoenga –een moerasantilope en neefje van de bongo. Het staartje kwispelt opgewekt terwijl het dier aan de grashalmen vreet.
Soorten determineren is urenlang geduldig wachten en minutieus speuren. De hitte is intens. Vijf colobusapen met zwart-witte vacht en fraaie staartpluim, houden in een tegenoverliggende kapokboom een siësta. Veel te vermoeiend om te bewegen. Dat vindt onze eco-guard ook. Hij heeft zijn geweer in de hoek gezet en ligt op een matje. Zijn snurken overstemt het insectengezoem.
Tegen zonsondergang komt het woud weer tot leven. Neushoornvogels en papegaaien vliegen over. De eerste laten hun vleugels klapperen als helikopters, de roodstaarten kwetteren vrolijk in zwermen. De colobusapen laten zich uit de boom glijden en krijgen gezelschap van wat de gids de ‘mecaniciens’ noemt: slanke, geheel zwarte apen die net als de Kameroense automonteurs onder de olie lijken te zitten. De gorilla’s laten zich vooralsnog niet zien. De eco-guard die inmiddels is opgestaan, heeft er een hard hoofd in dat de mensapen nu tevoorschijn komen. ,,Ze zijn heel voorzichtig als ze zich in het veld begeven’’, zegt hij. ,,Als ze ons hier zien, blijven ze beslist in de bosrand. Morgenvroeg maken jullie meer kans.’’ Waarop onze groep besluit te splitsen: de ene helft blijft overnachten in de hut, de anderen gaan terug naar kamp Kombo.
Degene die terugkeren, wacht halverwege een verrassing. Niet ver van de plek waar de gorilla vanmorgen werd gesignaleerd, klettert iets zwaars onder oorverdovend lawaai uit een boom en doet de hele groep, inclusief de dragers en de eco-guard, opschrikken. Het volgende moment staat een enorme gorilla op zijn achterpoten voor de groep en slaat zich woedend op de borst. De dragers weten niet goed wat te doen en schreeuwen naar de rest om te rennen. Zelf vormen ze gedrieën een front waardoor de silverback (want dat is het) uiteindelijk na veel machtsvertoon toch afdruipt. Achteraf voer voor mooie verhalen, maar het had ook anders aflopen. Of zoals een opmerkt: ,,Ik zag mijn hele leven al aan me voorbijtrekken.’’ Wij, de groep die op de hut achterbleef, kan daar alleen maar irritant knagende muizen en plagende muskieten tegen over stellen. Gorilla’s en chimpansees werden bij de morgenstond in de buurt gehoord, maar bleven weg van de Petite Savanne.

Prachtplek aan de Sangha
Djembe is de volgende bestemming. De plek ligt in het uiterste oosten van het park, op zeker 120 kilometer van de ingang. Hoewel de weg redelijk begaanbaar is, is het krasvrij houden van de jeep een illusie met al die doornige takken in de berm. Maar het resultaat van de vier uur durende tocht mag er wezen: een prachtplek aan de oever van de rivier de Sangha. Hier vochten eens de Duitsers en de Fransen een verbeten kolonistenoorlog uit; nu verbindt de rivier Lobéké met de nationale parken van Centraal-Afrika en de Kongo. Dieren kennen geen landsgrenzen en ook de Sangha die hier zo’n zeventig meter breed is, vormt geen obstakel. Ooit geweten dat olifanten uitstekende zwemmers zijn? Laurence, de gastheer van kamp Djembe, vertelt dat er geen week voorbijgaat zonder dat hij een kudde olifanten naar de overkant ziet watertrappelen. We hebben trouwens grote kans de kolossen te zien. Bij het vallen van de avond zwerven er altijd wel een paar rond in de buurt van het kamp.
Tot die mogelijke ontmoeting bewonderen we vanaf de veranda de zwarte bijeneters die over het wateroppervlak scheren. Hoog in de lucht zweeft een kroonarend, een machtige roofvogel die apen uit de boomtoppen plukt. Aan de zijkant, in de grasberm, graast een moerasantilope en een klein schichtige antilope, een duiker. Getuige de foto’s aan de muur kun je er met een beetje geluk ook een panter treffen.
Lobéké lijkt vanaf deze plek een vredig oord, maar dat is deels schijn. Vanwege zijn beschermde status als waardevol natuurpark heeft het niet veel te vrezen van grootschalige houtkap, maar het is de stroperij die een grote bedreiging voor de gorilla, chimpansee en bosolifant vormt. De burgeroorlog in Kongo heeft een hoop wapentuig nagelaten dat inmiddels zijn weg naar Lobéké heeft gevonden. Ivoor en apenvlees gaan voor grof geld van de hand. Het parkmanagement heeft ondanks de steun van het WWF te weinig mankracht en middelen om het gebied goed te beschermen. ,,De stropers knallen met kalashnikovs de beesten af’’, zal de directeur van het park ons later vertellen. ,,Wat hebben wij daar tegenin te brengen?’’ Hij pleit ervoor dat de eco-guards beter worden bewapend nadat een ranger enkele maanden geleden door stropers op brute wijze is vermoord.
De duisternis valt in Djembe en achter het kamp klinkt het gekraak van takken. Geen gorilla dit keer, maar een bosolifant met trek, zo weet Petit Jean te vertellen. Ergens bij het bamboebosje dat door flauw maanlicht wordt beschenen. We mogen er van Petit Jean en Laurence met een schijnwerper naar toe gaan. Als we het licht aanknippen, zien we een olifant met flinke slagtanden van de verse bamboebladeren snoepen. Het blijkt een bekende te zijn.  ,,Afrika’’, zegt Laurence. Het is een jong mannetje van wie de moeder ruim vijf jaar geleden door stropers is doodgeschoten. Sindsdien verblijft het dier in de buurt van het kamp.
Aanvankelijk trekt Afrika zich weinig van onze aanwezigheid aan, maar dan begint het licht in zijn ogen te irriteren en loopt hij weg. Een uur later ontmoet een deel van onze groep de olifant op het pad naar hun lodge. Afrika begint met zijn oren te flapperen en stapt naar voren. Met het gorilla-avontuur vers in het geheugen wordt besloten om via een omweg naar de slaapplek te komen. De gorilla’s en olifanten van Lobéké zijn geen knuffelbeesten.
’s Nachts worden nog enkele metgezellen van Afrika bij het kamp gespot en de volgende morgen zien we een chimpansee in de boom hangen. We waren hem met onze zoektocht naar zijn grotere broer bijna vergeten. Ruim een minuut observeren we hoe hij zorgvuldig enkele vruchten uitkiest en met smaak verorbert. Net een mens. Dan wordt hij ons gewaar en slingert hij naar de volgende boom.
Vanaf Djembe rijden we terug naar kamp Kombo en zullen we vervolgens weer twee dagen nodig hebben om Yaoundé te bereiken. Over de stoffige wegen, de richels en geulen voor lief nemend. Een deel van het geld is terug in onze zakken, een deel blijft in Lobéké achter als rekening voor de lodges, het eten en de gidsen. Als het eco-toerisme aantrekt, kan er mankracht en middelen mee worden betaald om het park beter te beschermen. Maar het is ook hetzelfde geld dat de stropers naar Lobéké lokt. En de dieren zelf? Zoals Petit Jean al zei houden zij niet van biljetten.
Door: Jeroen
Foto's: Tom Snoeckx

donderdag 15 december 2011

Le patron



,Oh shit, mijn blouse’, dacht ik, toen ik aankwam bij het restaurant en een delegatie van heren in te strakke pakken me opwachtte. Mijn blouse die ik in de gauwigheid van de wasmand had geplukt en nog ongestreken was. Okay, weliswaar een Boss, maar volledig gekreukt. En daar schudde ik al de handen gestoken in mouwen met gouden manchetknopen. Ik speurde naar de blikken tegenover me en zag dat ze de vouwen van mijn shirt telden. ,Dit is de patron van mijn middelste zoon’, stelde de gastheer me nog aan de delegatie voor. Maar het kwaad was al geschied.

Ik was op uitnodiging van een vriend naar het restaurant gekomen. Een vriend die ik op mijn werk een beetje onder mijn hoede neem en met wie ik van het weekend een dubbele vodka-cola had weggetikt. Zijn jongere broer had een of andere opleiding volbracht en dat moest uitbundig gevierd worden. ,Mijn vader nodigt je uit’, had mijn vriend die zaterdagavond plechtig verteld. Het klonk een beetje als een dwangbevel. En hoewel ik er bij voorbaat al niet zoveel zin in had, zei ik: ,Goed, ik zal er zijn.’ Tenslotte is het moeilijk vechten tegen vaders die je aanwezigheid zeer op prijs stellen.

Ik schudde de handen van een tiental bobos, allemaal oudere vrienden van de trotse papa, en kreeg toen een plaatsje aan een tafeltje binnen toegewezen. Overal stonden flessen exclusieve wijn en Chivas Regal te wachten op dorstige gasten. Papa was van plan ook zo’n Schotse vriend op mijn tafel te zetten, toen ik zei: ,Eigenlijk heb ik meer zin in een biertje.’ ,Een biertje?’, antwoordde hij verwonderd. Maar goed, de gast –en zeker de enige blanke gast- is koning.

Daar zat ik dan, wat onwennig op me heen kijkend naar de gasten die arriveerden. De vrouwen in mantelrokjes, de mannen steevast in pak met een onberispelijke snit. Ik zag de details -de broches op het decolleté geprikt en de opgevouwen zakdoekjes zorgvuldig uit de pochets stekend– en probeerde met mijn vingers stiekem de vouwen van mijn blouse glad te strijken. Wat natuurlijk niet lukte.

Misschien was dat opgelaten gevoel een allergische reactie op al die vergaderingen die ik de afgelopen weken te verduren had gekregen. Sinds ik terug ben uit de jungle, word ik voor de ene na de andere officiële plechtigheid gevraagd. Daar zit ik tussen Kameroense autoriteiten. Van het Ministerie van Bosbouw, van het Ministerie van Milieu, van het ministerie van Financiën. Zij altijd in pak, ik altijd in mijn Boss-blouse (hoewel dan gestreken). En altijd denk ik achteraf: wat is er nou eigenlijk allemaal echt gezegd?

Toen alle gasten gearriveerd waren, gaf papa het woord aan de grootste bobo. De ware patron. De broer van mijn vriend om wie het allemaal draaide, moest er naast gaan staan. De speech ging over groei, toekomstkansen en uitdagingen. De broer dwong zichzelf minutenlang zwijgend te luisteren met de handen voor zijn driedelig kostuum gevouwen. Ik had het met hem te doen.

Toen de toespraak eindelijk was afgelopen, het buffet ingezegend en geopend, stelde papa de belangrijkste gast aan me voor. ,,Hij is de patron van mijn middelste zoon’, zei de gastheer tegen de man tegenover me. Ik knikte vriendelijk en pakte de hand met een dikke, gouden zegelring aan de ringvinger. Hij liet even de blik over me glijden en werd terstond afgeleid door een dame die een tafeltje verder zat. Ik had blijkbaar niet genoeg patron-gehalte. Jammer dan. Ik kon met mijn bord naar het buffet lopen waar acht verschillende soorten vlees op me wachtten.

Terug aan de tafel ontdekte ik een televisie schuin boven de bar. Een of andere Afrikaanse soap was aan de gang. Het was even over half negen, dinsdagavond. Tijd voor Champions league! Zou ik..? Ik had een moment van twijfel, maar verwisselde toen het tafeltje voor een barkruk aan de toog. Ik vroeg de bardame om de afstandsbediening en zapte naar inderdaad een wedstrijd. Het was Dortmund-Olympique Marseille. Onmiddellijk kreeg ik gezelschap van andere gasten die ook min of meer op zo’n programma hoopten. En ook de patron keek vanaf de zijkant mee.

Het zijn niet mijn favoriete clubs, verre van, maar de wedstrijd was spannend en sport verbroedert. De sfeer aan de toog was een stuk relaxter dan aan de andere tafeltjes. Ik dronk nog een biertje en stak een sigaret op. Gaat wel, bedacht ik me. Maar toch hunkerde ik ineens naar de bush. Om ergens in een dorpje zitten met een kalebas palmwijn voor me en te luisteren naar de geluiden van de jungle. Omringd door gasten die zwijgend hun sigaretten smoren. Daar maakt een ongestreken blouse trouwens ook geen bal uit.

Door Jeroen

vrijdag 25 november 2011

En zo vliegt de tijd voorbij

Ik volg een cursus in wachten. Het begon me te dagen toen ik weer eens twee en half uur in de rij stond om de gasrekening te betalen. Maar eigenlijk had ik al een vermoeden toen we 5 uur moesten wachten voor onze verblijfsvergunning. Nu wij al dagen (wat zeg ik? Anderhalve week inmiddels!) wachten op onze auto, weet ik het zeker. Het is dan wel een gratis opleiding, hij is behoorlijk pittig.

Het eigenaardige is dat ik Kameroeners niet zie wachten. Ze staan er wel, maar ze wachten niet. Wij Nederlanders (even lekker generaliseren) wachten nadrukkelijk. Want áls wij in Nederland ergens onverwachts moeten wachten (en dat gebeurt niet zo vaak, geloof mij maar), dan wachten we ook goed. Kameroeners niet. Die doen niets. En het maakt niet uit of ze een paar minuten moeten wachten, een aantal uur of een hele dag. Want je zou zeggen als je van te voren weet dat je een paar uur moet wachten, je iets meeneemt ter afleiding: een spelletje, een boekje, een tijdschrift, de krant. Weet ik veel. Iets! Maar dat doen ze niet. Ik vind dat zo knap. Ook controleren ze hun telefoon niet iedere vijf minuten op nieuwe berichtjes, halen ze geen vuil onder hun nagels vandaan, versnipperen ze geen papiertjes, trekken ze niet aan een loshangend draadje van hun blouse, trommelen ze niet met hun vingers, zuchten niet. Ze doen helemaal niets. Nu kan ik natuurlijk niet in hun hoofden kijken, misschien zijn ze de vloeroppervlaktes aan het berekenen met de stelling van Pythagoras, maar dat denk ik niet, als ik eerlijk ben.

Zo ging ik laatst de waterrekening betalen. Bij aankomst op het 'kantoor' zie ik buiten drie lange rijen staan. Ik heb geleerd van mijn eerdere wacht-ervaringen en heb dus een boek meegenomen. Maar ik begin met het observeren van de Kameroeners om mij heen, want hoe doen zij dat toch? Wat is wachten eigenlijk? Het is slechts een state of mind, bedenk ik me. Ik stel me gewoon voor dat ik op een terras zit. Lekker mensen kijken en genieten van de rust... heerlijk. Het lukt me weliswaar dit beeld een half uur vast te houden, totdat ik zweetdruppeltjes over mijn rug naar beneden voel glijden, mijn mond droog aan begint te voelen en ik pijn aan mijn benen krijg. Dit klopt niet meer met mijn beeld van een terrasje. Ik doe ook veel te ingewikkeld. Hoe doen zij dat dan? Volgens mij denken ze gewoon aan niks. 'Oké, denk ook aan niks. Ga op in dit moment.'

Weer een half uur later, ik ben bijna aan de beurt, hoor ik ineens gekreun vooraan in de rij. Oh nee! (Kameroeners kreunen alleen als er iets heel vervelends gebeurt). Ze hebben 'mijn' loket dichtgegooid. Geen zin meer, moet plassen, afgewerkt, je weet het hier nooit, maar het loket is dicht en blijft dicht. Dit kan toch niet? Verontwaardigd wil ik de andere mensen in 'mijn' rij aankijken, maar deze is reeds opgelost. Ze hebben zich al achteraan gesloten in de andere rijen en staan wederom in standje niets-doen-niets-denken.

Als je me nu, na bijna een jaar in Kameroen te zijn, zou vragen wat ik als grootste verschil zou aanduiden met Nederland, zou ik zeggen: de tijd. Of beter gezegd, het omgaan met de tijd. Nee, dat is ook niet wat ik bedoel. De waarde die gehecht wordt aan tijd. Dat komt meer in de buurt. Waar wij in Nederland menen controle te hebben over tijd, lijkt de Kameroener zich niet te beseffen dat er zoiets bestaat als tijd. Een hele vreemde manier van leven, zo leek mij in den beginne. Maar hoe langer ik hier ben, hoe meer ik me kan vinden in dit 'gemis'. Het komt me zelfs meer en meer voor als een bevrijding. Een bevrijding uit de gevangenis van tijd.

Als je er over nadenkt, is het toch ook van de zotte, wanneer wij zeggen: 'Ik heb geen tijd'. Hoezo, je hébt geen tijd? Is tijd iets dat je kunt bezitten dan? Iets wat je even tot je kunt nemen, er gebruik van kunt maken en het vervolgens weer weg kunt gooien? Dit alles klinkt wellicht abstract voor jullie in Nederland en je zult denken dat het slechts een uitdrukking is, een manier om iets te zeggen. Maar toch leven we er wel naar in het westen, heb ik ontdekt.

Nog zo'n uitdrukking: 'Dat kost veel tijd' of 'Ik heb er veel tijd mee verloren'. Als je het even laat binnenkomen, is het toch gek? Dat je tijd zou kunnen verliezen, alsof het een voorwerp is. Het is er toch altijd en in overvloed? Een Kameroener zul je nooit horen zeggen dat hij geen tijd heeft. Hij is bezig of niet. Je kunt ook geen tijd met hem afspreken. Hij komt of hij komt niet. En simpeler kunnen ze het niet maken. Als een Kameroener een hele dag ergens heeft zitten 'wachten' en datgene gebeurt niet waarvoor hij/zij daar heeft gezeten, komt ie niet thuis en zegt: 'Heb ik daar toch de hele dag voor niets zitten te wachten!' Nee, niets van dat alles dunkt mij. Waarschijnlijk zal manlief of vrouwlief vragen: 'En? Is het gelukt?' 'Nee', zal zijn/haar wederhelft zeggen. 'Morgen dan maar weer,' zal het slotantwoord zijn. En zo simpel kan het leven zijn, mensen!

Natuurlijk, rustig maar, ik voel de wederstand hier! 'Daarom zijn wij rijk en zij arm', hoor ik je denken. En wellicht zit daar een kern van waarheid in (buiten het feit dat ze hier ook behoorlijk door 'ons' zijn uitgebuit en nóg...maar dat behandelen later nog wel een keer). De vraag is: maakt rijk zijn gelukkiger? Is het de schat waard, zo gezegd? Als je ziet hoeveel mensen er alleen in Nederland al rondlopen met een burn-out of andere stress-klachten, is dat toch een reële vraag. Zijn wij als slaven van de tijd per definitie zoveel wijzer, omdat we daar geld mee kunnen verdienen?

Maar misschien nog belangrijker is de vraag: kunnen we geen combinatie maken van the best of all? Dus, we laten ons niet meer beheersen door tijd alsof we geen keuze hebben, maar gebruiken de tijd wel om zo efficiënt mogelijk te werken. Zo slaan we twee vliegen in één klap. Ik kan niet wachten tot de tijd er rijp voor is!

Door: Marijke

zondag 16 oktober 2011

Moord op een ranger


Kameroen kent nog een paar schimmige gebieden waar de wetteloosheid regeert. De jungle in het zuidoosten is zo’n voorbeeld. Daar aan de grens met Congo-Brazzaville en Centraal-Afrika spelen zich zaken af die net zo duister zijn als de bodem onder het dichte bladerdak.  Bandieten en gelukszoekers bewegen zich door een niemandsland van lianen, stekelig struikgewas en zompige kreken. Speurend naar goud, diamanten, ebbenhout en jachttrofeeën. Het is er levensgevaarlijk als ik de verhalen van enkele kennissen mag geloven.
Op 27 september ging ranger Zomedel Pierre Achille met zijn collega en enkele helpers op patrouille. Werkzaam voor het Wereld Natuurfonds bewaakt hij een uitgestrekt wildreservaat even ten noorden van Nationaal Park Lobéké. Achille wist dat er zeldzame dieren zoals de laaglandgorilla, de chimpansee en de bosolifant huisden;  hij had immers vaak genoeg de sporen gezien en soms had hij het geluk een glimp van de beesten op te vangen. Maar hij wist ook dat de dieren enorm gewild waren bij stropers. Het ivoor van de olifanten, het gorillavlees voor magische krachten, de babychimpansees als huisdieren. Alles gaat de grens over naar handelaren die grof geld verdienen aan dierenleed.
Die regenachtige dag trok Achille met zijn team diep het reservaat in. De helpers kapten zich met machetes een weg door het groen, Achille en zijn collega volgden in hun kielzog. De regen die met bakken uit de hemel viel overstemde het monotone tsjirpen van de cicaden en het gezang van kikkerkoren. De roodbruine modder kleefde aan hun laarzen en maakte het stappen steeds zwaarder.
Na ongeveer vijf kilometer stuitten ze op een kamp. Er stonden twee hutten, er lagen wat proviand en enkele bidons naast een zwartgeblakerde plek. Onder een provisorisch dak van palmbladeren hingen twee dode gorilla’s te drogen. Ze waren net gevangen, het bloed droop nog van de vachten. Alles wees erop dat de stropers in de buurt waren. Waarschijnlijk waren ze de vallen aan het controleren.
De helpers gingen terug, Achille en zijn collega besloten te wachten. Ze verborgen zich in het struikgewas om de lieden op heterdaad te betrappen. Twee, drie uren gleden voorbij. De regen stopte. Het woud glansde in de middagzon. Een neushoornvogel vloog verschrikt op. En toen klonk het geluid van stemmen uit de jungle.  
Een groep mannen naderde het kamp. Achille kon de contouren van hun lichamen van de groene achtergrond onderscheiden. En hij zag tot zijn schrik dat ze zwaar bewapend waren; ze droegen kalashnikovs op de schouders.
Op een twintigtal meters afstand hielden de mannen plotseling halt. Misschien was het de afdruk van een laars in de modder dat hun aanwezigheid verried; of misschien voelde het instinct van de door de wol geverfde stropers aan dat er iets niet in de haak was. De lopen van de kalashnikovs wezen ineens richting het struikgewas waar Achille en zijn collega zaten. De hinderlaag was ontdekt.
De twee ongewapende rangers kwamen tevoorschijn en werden direct getrakteerd op een kogelregen. Achille werd in de borst geraakt en viel voorover. Zijn collega probeerde hem weg te slepen, terug het struikgewas in, maar werd door een tweede salvo in de arm geraakt. Met zijn andere arm deed hij nog een dappere poging Achille in veiligheid te brengen. Tientallen meters worstelde hij met zijn lichaam half op zijn rug door de dichte begroeiing, maar de belagers begonnen hen in te sluiten. De collega moest Achille achterlaten en vluchtte halsoverkop de jungle uit.
Ondanks de hevig bloedende arm slaagde de ranger erin het dichtstbijzijnde dorp te bereiken en zijn verhaal te doen. Van daaruit werd het nieuws doorgeseind naar Yokadouma, de provinciehoofdstad. Er werd een team van de commando’s van de BIR (de special forces) ingeschakeld. Samen met enkele rangers arriveerden die bij het reservaat. Het was al gaan schemeren, maar ze besloten om de jungle in te trekken op zoek naar Achille en de stropers.
Van de stropers geen spoor meer. Van Achille wel. Om vijf uur in de morgen werd zijn lichaam gevonden. Geheel naakt en vastgebonden aan een boom. Volgens een lid van de BIR-brigade wees alles erop dat Achille was gemarteld alvorens ie was gelyncht.
Het Wereld Natuurfonds maakte het treurige nieuws bekend in een persbericht. En bracht meteen naar voren dat de rangers slecht uitgerust zijn om het gevecht aan te gaan met de georganiseerde misdaad. ,Het ministerie moet hun goede vuurwapens geven zodat ze kunnen reageren op aanvallen van stropers’, liet een woordvoerder weten.
Ik weet niet of dat wel de oplossing is. In de dichte jungle van het zuidoosten kunnen stropers achter elke boom staan. En het is goed mogelijk dat ze voortaan nog sneller zullen schieten om de wapens van de rangers te bemachtigen. Goede kans dat ze daarbij geen getuigen levend willen achterlaten.
Ondertussen gaat de handel in ivoor, vlees en huiden door. En blijft stropen in het niemandsland van Kameroen een bijzonder lucratieve business.
Door Jeroen

maandag 10 oktober 2011

Verkiezingen

Gisteren werden de presidentsverkiezingen gehouden en dat betekende voor ons, les blancs, uit voorzorg de hele dag binnen blijven. We hadden op aanraden van onze organisatie ook een voorraad blikvoer en flessen water ingeslagen. Want je weet het maar nooit: de vlam kan zomaar in de pan slaan. Maar laat het nou net het mooiste weer zijn geweest van de afgelopen twee maanden. Azuurblauwe lucht, een unicum in deze zompige regentijd. Het zwembad was helaas een straat te ver.
Maar de vrees voor het uitbreken van rellen is tot nu toe –gelukkig- ongegrond. Het is de hele week al opvallend rustig in de hoofdstad. Geen rallies van politieke partijen, geen schreeuwerige menigte. Dat heeft alles te maken met het feit dat de winnaar al vaststaat. Huidig president Paul Biya zal na tweeëndertig jaar in het zadel te hebben gezeten, opnieuw voor zeven jaar bij tekenen. Daar hoef je geen politicoloog voor te zijn: andere kanshebbers zijn er namelijk niet. Het is a one man show.
Meneer de president geniet van zijn positie. Na eerder met de machthebbers van China en Brazilië warme banden te hebben aangehaald, ging hij afgelopen week op campagne in Douala, de grote havenstad van Kameroen. Vanuit zijn paleis trok hij met zijn gevolg door onze wijk. De avenue werd afgezet met een agent om elke vijfentwintig meter en zwaar bewapende militairen op de kruispunten. Ik hield even de pas in om een glimp op te vangen van de president, maar de dichtstbijzijnde soldaat beval me door te lopen. ,Je weet het maar nooit met die blanken’, moet hij gedacht hebben. 
Vanachter de struiken kon ik toch het konvooi aanschouwen van peperdure wagens en veel, heel leden van de presidentiële garde. In welk voertuig de president zelf zat, was gissen door de geblindeerde ramen. Waarschijnlijk de witte Mercedes in het midden, maar misschien speelde hij verstoppertje.
In ieder geval zag ik hem uren later met gejuich onthaald worden in Douala. Op het beeldscherm in het eettentje waar ik zat te lunchen, kwam de president in stijl aan. Begeleid door acht lijfwachten in driedelig pak en handschoentjes aan, die rennend de limousine bijhielden. Het zweet brak me uit bij het zien van die puffende, breedgeschouderde mannen. Maar de menigte vond het geweldig. Ze danste en een aantal met medailles behangen personen stond in de rij achter de microfoon om de president met speeches te onthalen. De ene lofuiting was nog meeslepender dan de andere, maar ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat de 78-jarige Biya soms een beetje indommelde. Met de ogen open natuurlijk. Daar kwam het ware vakmanschap van de routinier naar boven.
Bij mij op kantoor maakte ik een rondje. Op wie de collega’s gingen stemmen? Biya, antwoordde er een, want de oppositie kan geen vuist maken. Een ander zei helemaal niet te stemmen. ,Er wacht niets aan de horizon’, liet hij enigszins moedeloos weten.
Onze bewaker maakte het bonter. Hij kwam net terug van het stemmen, toen ik de benen ging strekken in de tuin. ,En voor wie heb je gestemd?’, vroeg ik. ,Ach’, zei hij vrolijk. ,Ik heb er gewoon een op de gok aangekruist. Die heeft geluk gehad.’ Wie de gelukkige van de 23 kandidaten was geweest, kon hij zich al niet meer herinneren. Het was in ieder geval niet Biya.        
People’s choice is de slogan van deze verkiezingen. Meneer de president wil groots uitpakken. Stuwdammen in het oosten, het spoorwegennet vergroten, de bouw van een diepzeehaven bij Kribi. En dan nog de lieve vrede bewaren in een land van meer dan tweehonderd stammen. Ik geef het hem te doen. Als hij inderdaad de horizon gaat vullen, is in slaap dommelen er voorlopig niet meer bij. Ook niet met de ogen open.
Door Jeroen

zondag 25 september 2011

De laatste gorilla's van Messondo

Twee eekhoorntjes rennen door de tuin en verstoppen eikeltjes in de grond. Eekhoorntjes & eikeltjes? Jawel, ik ben voor vakantie even terug in het Eindhovense. In de achtertuin van mijn ouders, aan de bosrand, waar de pluizige beestjes vrolijk zitten te wezen in de stralen van de waterige nazomerzon. Kneuterig, maar o zo vertrouwd is het beeld van deze schepsels van de ‘wilde’ Nederlandse natuur.
Het is goed toeven met een glas Bavaria in een comfortabele tuinstoel. Maar vannacht was ik weer terug in de regenwouden van Messondo. Ik bevond me te midden van een troep laaglandgorilla’s. Ze keken angstig uit hun ogen, die beesten, en ze krijsten. Geweerschoten dreunden als granaatinslagen om ons heen. Een gorilla tuimelde voor over, tussen de lianen. Daar bleef ie roerloos liggen. Uit zijn glanzende vacht spoot een straal bloed. De rest van de troep loste op in het groen. Bezweet schrok ik wakker.
De nachtmerrie over de gorilla’s van Messondo kwam niet als donderslag bij heldere hemel. Het is een tastbare herinnering, een voortvloeisel van een bezoek aan de dorpen rond het woud, nu precies een week geleden. Toen zei de chef du village van het aangrenzende dorp: ,,We hebben een probleem. De gorilla’s worden gestroopt. In de afgelopen maand al drie.’’ Als bewijs toonde hij me een foto, gemaakt met zijn mobieltje. Een zwart lijf met schotwonden ter hoogte van het schouderblad. ,,Wat kunnen we er tegen beginnen?’’, vroeg hij zich vertwijfeld af.
Ik heb het met de dieren te doen. Ergens rond de dertig laaglandgorilla’s zouden er nog rondzwerven in het woud van Messondo. Het zijn geen aaibare eekhoorntjes. Wel levende fossielen uit een tijd dat mensen en apen nauwelijks van elkaar te onderscheiden waren. Wie ooit de kans heeft gekregen om in de ogen van een gorilla te kijken, ziet de blik van onze voorvaderen. Littekens van een leven vol ontberingen. En laatst, in een gebied ten westen van Messondo, verwonderde ik me over een babyaapje. Drie weken oud, -de moeder was in de maag verdwenen van een paar dorpelingen-, scharrelde het beestje tussen de woningen. De jager die zijn ouders had geschoten, beschouwde ie als een surrogaatmoeder. Hij klom in de jongen als ie zich bedreigd voelde en sliep op zijn schoot in de namiddag. Met die tengere vingertjes en zijn onbegrensde nieuwsgierigheid was ie net een mensenjong van een jaar oud.
Maar goed, de laaglandgorilla’s van Messondo zitten in een precaire situatie. Gevangen tussen de houtkapmaatschappij die de bomen opvreet en aan de andere kant de rivier Union, een onneembare hindernis want de apen zijn als de dood voor het kolkende water. Nu komen de stropers daarbij. Het vlees is gewild, een delicatesse en een potentieverhogend middel voor de elite. Wie de hoogste autoriteit wil pleasen, biedt de gast een stuk gebraden arm. Dat geeft kracht.
Gorilla’s doden is bij de Kameroense wet verboden. Maximaal drie jaar gevangenisstraf staat ervoor, als je op heterdaad wordt betrapt. ,,We kennen de daders’’, zei de chef du village. ,,Het zijn mensen van hier.’’ Maar, voegde hij er onmiddellijk aan toe, dat ligt gevoelig. ,,Wie gaat ze aangeven?’’ We besloten op die dag dat het beter was om voorlichting te geven tijdens de komende dorpsvergaderingen. Om het belang van de gorilla’s voor het behoud van het bos te onderstrepen. Want met het eten van de vruchten zorgen ze voor de verspreiding van de boomzaden. En we concludeerden eensgezind dat ze met hun gedrag en voorkomen wel heel dicht bij ons mensen staan. ,,Als jullie ze dat kunnen overbrengen, hebben we al een hoop gewonnen’’, waren de slotwoorden van de chef. ,,Want naar jullie willen ze luisteren.’’
De eekhoorntjes rennen over de takken van de fijnspar. De eikels zitten in de grond. Ik sta op om nog een Bavaria uit de koelkast te nemen. Ondertussen pijnig ik mijn hersenen over de vraag of de laatste gorilla’s van Messondo van de ondergang gered kunnen worden. Zal het lukken?
Door Jeroen