Pagina's

woensdag 1 juni 2011

Tijdens een tropische bui

,,Het wordt haar dood. Daar ben ik zeker van.’’
Ik probeer de grip op de weg niet te verliezen. Het regent hevig, het hoost, en we rijden terug van een workshop in een gehucht naar een stadje dertig kilometer verderop. Bij gebrek aan chauffeurs van het project (ze zijn deze week allemaal bezet), ben ik het die achter het stuur zit van de jeep.
Op de achterbank hebben zich twee collega’s en drie dorpelingen opgevouwen. En voor, pal naast de versnellingsbak, delen twee passagiers een stoel. Onder wie de zoon van de huidige chef van het betreffende gehucht. Hij voert het hoogste woord.
,,Onze chefferie heeft een lange traditie.’’, gaat hij verder. ,,Vijf jaar geleden is mijn oom overleden. Hij was de chef van ons dorp. Mijn vader heeft zijn taak overgenomen. Dat gaat goed. Maar nu is mijn tante teruggekomen en eist de macht op.’’
Die tante, de weduwe, was met haar kinderen na de dood van haar man naar de hoofdstad vertrokken. Dus ging het leiderschap naar de oudste broer. Die zette de heerschappij voort. Want chef de village zijn, dat is een erekwestie. De dorpelingen hebben er ontzag voor en ze spreken ‘m aan met Zijne Majesteit. Een koninkrijk in het klein. Zo had ik het althans begrepen.
Maar ik moet me concentreren. Vanmorgen was het zandpad nog gebarsten klei, nu met de striemende regen is het een achtbaan geworden. De modder aan de banden laat de jeep dansen. Terug naar de tweede versnelling. Even verderop wacht een brug.
,,Ze zegt dat haar oudste zoon de chef moet worden. Maar dat willen we helemaal niet. Ik bedoel, de hele familie is er tegen. En zij raakt buiten zinnen. Ze weet niet welke gevolgen..’’
De ruitenwissers knerpen over de voorruit en zwiepen de woorden weg. Voor ons de brug die stevig is verwaarloosd. Gehavende balken, daaronder de wassende rivier. Ik wil geen risico nemen.
Allemaal eruit alsjeblieft, zeg ik. Ze lopen naar de overkant. Ook de zoon van de chef.
Aanwijzingen volgen. Schakelen naar de eerste versnelling en dan heel langzaam over twee uitstekende balken. Een balk breekt, het achterwiel slipt weg, maar ik geef gas en de jeep ploft aan de overkant. (Shit, vloek ik, holy shit!)
Als de passagiers eenmaal weer kletsnat zijn ingestapt, vervolgt onze hoogste gast zijn monoloog.
,,Mijn tante blijft erbij. Haar zoon moet de chef worden. Ze snapt het niet. Ze snapt het echt niet.’’
Ik had de chefferie gezien. Een statige villa in een godvergeten gehucht. Twee verdiepingen uit grijze baksteen. Een houten podium voor de poort waar jaarlijks evenementen worden gehouden ter ere van de dorpstradities. Het geheel had er indrukwekkend uitgezien naast het dozijn lemen hutten van de andere families.
,,Ze heeft nu een vuur aangewakkerd dat niet meer kan worden geblust. Ze wordt er door verbrand. Ik zweer het je.’’
Dan kijkt hij opzij.
,,Wat vind jij ervan?’’
Wat vind ik? Tja, wat moet ik van een familiekwestie zeggen? Ik ben een bosbouwer, ik geef voorlichting in de gehuchten en ik meng me niet in zulke zaken. Want er is een Kameroens gezegde dat ik ter harte heb genomen: ‘Steek nooit je vinger tussen de schors en de boomstam.’
Bovendien moet ik nu de jeep met de lading veilig naar de stad brengen.
,,Sorry’’, antwoord ik snel. ,,Kunnen jullie weer uitstappen?’’
Want voor ons ligt een omgewaaide boom. Eerst maar eens die hindernis nemen in de stromende regen. Wie weet wat ons nog meer te wachten staat.

Geplaatst door Jeroen

zaterdag 7 mei 2011

Allemaal beestjes

Kameroen is rijk aan dierenleven. In het noorden, op de savanne, zie je van dichtbij giraffes en nijlpaarden en met een beetje geluk een grommende leeuw of luipaard. In de jungle van het zuiden en oosten zijn er de bosolifanten, gorilla’s en chimpansees (meestal als een vluchtende schaduw tussen het groen, maar toch). Over die schitterende dieren vertel ik een andere keer. Ik wil het nu hebben over die beestjes die dit exotische oord een beruchte reputatie bezorgen. Kwelgeesten die ik (en met mij waarschijnlijk alle 20 miljoen Kameroeners) liever kwijt dan rijk ben.

Neem nou deze week. We maakten een toer door de dorpen om voorlichting te geven. De eerste ochtend waren de deelnemers aan de workshop rijkelijk laat (gebeurt wel eens vaker), maar goed, geen nood, we konden de tijd doden met de bezichtiging van een nabijgelegen plantage. Daar werden palmnoten met een pers tot olie verwerkt. Ik ging op een boomstam zitten om het spektakel eens goed van dichtbij te bekijken.

Het was een mooi gezicht om te zien hoe uit de noten een oranje, glibberige substantie droop. Maar na een klein kwartier keek ik eens omlaag naar mijn ontblote armen. Ik schrok! Heel mijn armen zaten onder de rode vlekken. Alsof ik plotseling een allergie had gekregen. Of de rode hond. Gek, want ik voelde me niet ziek en ik had ook niet de aandrang me flink te krabben.

Ik stootte de chauffeur aan die naast me zat. ,Wat is dit allemaal?’, vroeg ik en wees op de ontelbare rode vlekken op mijn armen. Hij lachte. ,De moet-moet’, zei hij. ,De moet-moet?’ ,Ja, een insect dat je bloed zuigt’, sprak hij nuchter, alsof het heel normaal was wat die beesten deden. ,Maar ik heb ze helemaal niet gevoeld’, antwoordde ik en dacht terug aan de muggenbulten van vannacht. Weer keek ik naar mijn armen. Op een plek dat tot een minuut geleden nog een stukje witte huid was, zat een rode vlek. Ik snapte er niets van. ,Het zijn piepkleine zwarte vliegjes’, bekende hij. ,Pas als ze je bijten, worden ze zichtbaar.’

Ik besloot mijn lichaam aan een minutieus onderzoek te onderwerpen. Ik bracht mijn rechter onderarm tot vlak voor mijn neus en kneep mijn ogen samen tot spleetjes. Tegen het felle zonlicht als achtergrond zag ik hoe tientallen zwarte puntjes boven mijn harige huid dansten. Als vliegende vlooien.

Een van hen kreeg de aandrang om te dalen. Nou ja, de snelheid waarmee ie dat deed, had eigenlijk meer weg van een kamikazepiloot. Na een duikvlucht landde hij ter hoogte van mijn pols. Een minuscuul zwart knopje. Vastgeplakt aan mijn huid.

Hoe hij vervolgens door de huidcellen heen boorde, kon ik niet zien. Maar met enige huivering stelde ik me voor dat hij met zijn kaken een gaatje maakte en vervolgens met een scherp roltongetje van mijn bloed snoepte. Het gevolg van zijn vampierachtige drinkgedrag was wél goed zichtbaar. In een mum van tijd zwol hij op tot het formaat van een ordinaire mug. Maar dan veel boller. Ik keek het nog even aan, maar kon toen de drang niet weerstaan. Pets! De moet-moet spatte uiteen tot een bloedvlek.

Triomfantelijk liet ik het aan mijn chauffeur zien. Maar bijna tegelijkertijd kwam er de teleurstelling. Want niet ver van mijn pols vandaan, waren drie nieuwe vlekken bijgekomen.

,Wat kan ik er tegen doen?’, riep ik uit. Ik had me nochtans van te voren goed ingesmeerd met deet. Mijn vriend haalde zijn schouders op. ,Niet veel’, zei hij en sloeg een moet-moet op zijn arm dood. ,Of nou ja, een shirt met lange mouwen dragen, helpt wel. Zou ik trouwens zeker doen, want ze brengen ook malaria over.’

Goed dat ie dat laatste er nog even bij vermeldde. Dus dat wordt het de volgende keer: een stevig katoenen shirt met lange mouwen bij 35 graden Celsius en 90% luchtvochtigheid. En bij voorkeur ook wanten mee. Want tussen de knokkels van mijn vingers verschenen ineens ook rode vlekken.

Geplaatst door: Jeroen

zondag 17 april 2011

Het recht van de sterkste

Ik heb een belangrijke ontdekking gedaan. Ik begin eindelijk te begrijpen hoe ik hier kan ‘overleven’. Halsstarrig heb ik gezocht naar structuur en regels waaraan ik me zou kunnen vastklampen, maar ik vond ze niet. Vorige week heb zat ik er echt even doorheen en ik denk dat het nodig was om tot de oplossing te komen. Ik was even zo klaar met al dat verkapte schooien om geld. Elke keer weer die stomme smoesjes. Vooral taxichauffeurs hebben er een flinke hand van (‘handje’ dekt de lading niet). Ik vond het oneerlijk en onrechtvaardig, het druiste tegen al mijn principes in, mijn ego kwam in opstand en ik voelde me boos en gefrustreerd. Ik snapte gewoon niet welke regels ik moest volgen. In Nederland is alles duidelijk geregeld, daar hoef ik nooit strategisch na te denken om niet genaaid te worden.

Hier wel. En ik ben er achter gekomen dat er hier maar één regel is. En dat is dat er geen regels zijn. Hier geldt het recht van de sterkste. De wet van de natuur. Het is één groot spel, de ene keer win je en de andere keer verlies je. En de inzet is eigenlijk alleen maar extra geld, meestal niet eens zoveel. Het rare is echter dat de inzet voor mij tot vandaag veel groter voelde. Met dat kleine beetje geld dat ik steeds extra moest betalen; leek ik ook een stukje trots mee te geven of liever gezegd te verliezen. Daar word je natuurlijk doodongelukkig van. Al die overbodige zaken moet je loslaten om in de Afrikaanse jungle te overleven. Het is eigenlijk heel dierlijk. Wanneer je elkaar tegenkomt, bijvoorbeeld omdat je iets wilt kopen of omdat je van een dienst gebruik wilt maken of omdat je een ambtenaar voor je hebt die iets van je wil, besnuffel je elkaar eerst om te ruiken wie de sterkte is. Dat wordt mede bepaald door de onderhandelingspositie die je hebt. En dan is eigenlijk de uitslag van te voren al bekend en kun je drie dingen doen.

1. Je kunt het spel even meespelen, gewoon voor de vorm, voor de leuk. Af en toe is het grappig om te doen, want Kameroeners hebben erg veel humor, maar zullen dat absoluut niet zomaar laten zien. En het is dan ook een uitdaging om door dat pokerface heen te breken. Alsof je het spelletje ‘verboden te lachen’ speelt. Als je echt goede argumenten hebt om niet méér te hoeven betalen en je kunt dat met de nodige humor brengen, kun je soms nog winnen ook. Dus als een taxichauffeur bij aankomst op bestemming beweert dat de rit duurder is, omdat hij een heuvel op heeft moeten rijden, kun je zeggen dat je dan korting wilt op de terugweg, omdat hij dan naar beneden rijdt. Maar je moet bij deze benadering ook bereid zijn om je verlies te pakken, want als ze ruiken dat je boos wordt of wanhopig wilt winnen, ben je al verloren.

2. Je kunt het spel ook doorspelen, omdat je persé wilt winnen. Dat kost je dan wel ontzettend veel geduld, eveneens een dosis humor en een beetje bluf. Want zoals gezegd zijn ze hier gevoelig voor autoriteit. Dus als bijvoorbeeld de gendarmerie eerst het gevoel heeft de machtigste te zijn, omdat hij je zonder goede reden een wielklem op de auto heeft gegeven (waarvoor je als blanke een extra hoge boete moet betalen om die eraf te krijgen), kun je proberen te bluffen dat je goede contacten hebt bij de ambassade en graag zijn volledige naam wilt noteren. Een andere bluf kan zijn dat je niet genoeg geld bij je hebt. Als je dan ook nog het nodige geduld hebt (ik heb met een collega van Jeroen twee uur bij de wielklem gewacht), heb je kans dat ze je laten gaan tegen het normale tarief.

3. Maar soms heb je daar allemaal geen zin in. Ook goed. Pas de problème. Dan betaal gewoon teveel. Als je dat zonder woede, frustratie of andere gevoelens van onmacht kunt doen, is het leven hier eigenlijk heel gemakkelijk.

En ja, het is oplichting en het is oneerlijk en het zal er misschien niet beter op worden wanneer ik vaak teveel betaal. Maar ik heb echt niet de illusie dat mijn persoontje het systeem van oplichting en corruptie kan veranderen. Dat zit er hier al eeuwenlang ingebakken. En zo’n verandering moet toch van bovenaf gebeuren en niet door Jan met de pet op. Dus hop, overboord met al die egotripperij! Heerlijk!

Geplaatst door Marijke

‘Fout hout’

De morgen dat ik met mijn bosbouwcollega’s voor een week het oerwoud van West-Kameroen in zou trekken, las ik op de nieuwspagina van nu.nl een opmerkelijk bericht. Zeven actievoerders van Milieudefensie hadden het Paleis op de Dam bezet om te protesteren tegen het inkopen van ‘fout hout’ door de overheid. Sinds vorig jaar mag de Rijksoverheid alleen nog maar duurzaam hout gebruiken. Maar volgens Milieudefensie hadden de heren ambtenaren zich niet aan dat akkoord gehouden en was er onder meer bedreigd tropisch hout uit West-Afrika naar Nederland geïmporteerd voor de renovatie van het Paleis en andere overheidsgebouwen. Reden om met een bliksemactie de aandacht te vestigen op dat vergrijp.

Ik las het artikel vluchtig door, want mijn Kameroense collega’s stonden reeds te wachten met hun rubberen kaplaarzen en gps-apparatuur. Maar interessant nieuws was het wel. Want het oerwoud dat wij op de planning hadden, -een soort van ‘gemeenschapsbos’-, is door de Europese Unie bestempeld als een FLEGT-modelproject. Dat wil zeggen: het moet in de nabije toekomst legaal hout naar de Europese markt brengen. De vraag is of dat ook op de juiste manier gekapt zal worden.

Het door ons te bezoeken ‘ gemeenschapsbos’ ligt op ruim 200 kilometer van Yaoundé en is 16.000 hectare groot. Een paar jaar geleden heeft de overheid het aan de betreffende gemeente overgedragen en vanaf nu mag het geëxploiteerd worden om inkomsten voor de lokale bevolking te genereren. Volgens de regels van duurzaam bosbeheer is het toegestaan om elk jaar in een perceel van vijfhonderd hectare groot (dat zijn al snel 1000 voetbalvelden) de commercieel waardevolle bomen te kappen. Van een bepaalde omvang welteverstaan; de kleine blijven staan voor de volgende generatie. In de praktijk komt het er op neer dat de burgemeester een houtkapmaatschappij contracteert voor het uitvoerende werk. Zij laten de kaprijpe bomen markeren die ze vanaf mei als stammen eruit gaan slepen. Wij zijn er om deze week te kijken of de inventarisatie goed is gebeurd.

‘Gemeenschapsbos’ klinkt misschien een beetje als een parkje om de hoek waar je leuk kunt picknicken, maar het is een brok ruige natuur. Na de 4-wheel drive in de berm van een zandweg geparkeerd te hebben, stuitten we er al snel op een groene muur van struikgewas en bomen, overwoekerd door lianen en bromelia’s. Geen paden, nauwelijks zicht. Ja, wat dan? Dan zijn er de machetes waarmee je je een weg door de rimboe slaat. Daarvoor hadden we twee lokalen meegenomen, want het vergt enige ervaring om met één klap een liaan door te hakken. Zij maakten een tunnel, wij volgden.

Het werk kon beginnen: het in kaart brengen van de gemarkeerde bomen en het meten van de grenzen van het te kappen perceel met de gps. Om de zoveel meter was er een woudreus met een ‘kladblokje’ op de schors. Daar, op de bast, was in rode verf de naam van de boom gekalkt, evenals de diameter en de code om ‘m terug te vinden op de kaart. Voorbeeld: Azobé (bekend van onze bielzen), 90 cm, B15. Verderop: Fromager (een eeuwenoude boom van zo’n 45 meter hoogte), 120 cm, C07. We struinden door de jungle, waadden door de kreken en beklommen de hellingen om de gemarkeerde bomen terug te vinden. Ik sopte in de rubberen laarzen, het shirt plakte tegen mijn lijf en ik haalde mijn broek open toen ik struikelde over een wirwar aan lianen. Volgens de lokale gidsen woonden er in het woud nog gorilla’s, boa’s en boskatten. Maar het echte gevaar kwam van de hordes trekmieren op de bodem. Wat een venijnige beesten! Zodra ze op je zitten, beginnen ze te bijten. We moesten geregeld een sprintje trekken (met als gevolg nog meer schrammen) en toen een dozijn mieren zich via de scheur in mijn broek naar boven kroop, was ik maar al te blij dat er vijf meter verderop een beekje was. Ik liet me er languit in vallen.

Maar goed, terug naar de vraag of het hout duurzaam was of ‘fout’. Na een week van speuren en meten bleek dat de inventarisatie nogal slordig was gedaan. Okay, de jonge bomen werden gespaard, maar de grenzen van het perceel waren niet goed getrokken (te ruim), veel bomen hadden geen code en anderen waren juist gemarkeerd op te steile hellingen waar erosiegevaar groot was. We corrigeerden het en brachten met een scherp geslepen twijgje gedoopt in de rode verf codes op de vergeten stammen aan. Het vergde een hoop tijd. En wat we ook zagen: enkele flinke ebben waren omgekapt. Illegaal. Die gitzwarte houtsoort is bedreigd en bovendien is een fortuin waard. Een kubieke meter gaat op de Europese markt van de hand voor tenminste 35.000 euro.

Terug uit de jungle bezochten we het nabijgelegen dorp. Met het zweet nog op de rug en de modderspatten op de kleding (en een enkele trekmier die zich stevig had weten vast te bijten) gingen we de discussie aan of de families van de aanstaande houtkap zouden profiteren. Wij dachten van wel, de inwoners van niet. ,,Vroeger is hier ook een houtkapmaatschappij bezig geweest’’, zei een oudere man. ,,Maar we hebben nooit een cent terug gezien.’’ Een andere, de leraar van het dorpsschooltje, geloofde niet dat de huidige burgemeester zo met hen begaan was dat hij een deel van de houtinkomsten zou schenken. ,,La politique et le développement ne riment pas’’, beklaagde hij zich. Politiek en ontwikkeling gaan niet samen. ,,En politiek en duurzaamheid ook niet’’, voegde hij er droogjes aan toe. Over de gekapte ebben zweeg hij. Misschien was dat een voordeeltje uit het woud dat de families voor zichzelf wilden houden.

Tja, wat is duurzaamheid? Stel dat de bomen straks echt volgens de regels worden gekapt, maar slechts de burgemeester en zijn vrienden van de houtkapmaatschappij zich eraan verrijken, is dat dan eigenlijk wel duurzaam? Geen inkomsten voor de dorpelingen betekent ook geen verantwoordelijkheidsgevoel om over het bos te waken, laat staan het actief te beschermen. Dus zeiden we tegen de families dat we terug zouden komen tijdens de kap en de boswachter beloofde toe te zien op de verdeling van de inkomsten. Daartegenover stelden we dat zij de illegale exploitatie van de bedreigde ebben moesten zien te voorkomen. Zodat die jongens van Milieudefensie niet meer vroeg uit de veren hoeven te komen om het Paleis op de Dam nogmaals te beklimmen.

Geplaatst door Jeroen

maandag 21 maart 2011

Discriminatie vs eerlijkheid

4 januari 2011
Wanneer we aankomen op het vliegveld in Kameroen, worden we opgewacht door de Duitse directeur Walter van GIZ (Jeroens organisatie). Ik ben nog geen tien minuten in Afrika en neem mij al heilig iets voor: nooit of te nimmer zal ik Kameroeners behandelen zoals hij dat doet. Oké, er trekken een hoop mensen aan ons en de bagage. En ze houden er niet mee op als Walter zegt dat we geen bagagedragers of taxi's nodig hebben. En ze zijn misschien wel erg gretig om de koffer terug op de trolley te plaatsen als die eraf valt. En we worden achtergevolgd naar de auto door een groep van 5 personen die allen een koffer pakken en in de auto zetten. Maar dat hij half rijdend wat geld door het raam duwt, vind ik behoorlijk denigrerend. Echter, het grootste probleem had ik met de wijze waarop hij 'nee' zei tegen iedereen. Abrupt stond hij stil, keek de mensen recht in de ogen, wachtte een seconde en zei: 'Non!' Nou, dat ga ik echt anders doen hier. Ik wil toch niet dat deze mensen denken dat ik een racist ben ofzo?

11 maart 2011
Aangekomen bij ons hotel stap ik boos de auto uit. De chauffeur komt me achterna. Met een puppy-gezichtje brengt hij zijn hand als een kommetje naar zijn mond en vraagt in het Frans: 'En geld om te eten dan?' Ik kijk hem recht in de ogen aan, schudt ontzet mijn hoofd en antwoord: 'Non monsieur, het is genoeg zo! En als je nu niet ophoudt, zoeken we een andere chauffeur voor morgen!' Wonderbaarlijk reageert hij gelaten op mijn uitbarsting. Hij trekt zijn schouders op, zegt oké en groet ons een fijne avond en tot morgen.

Op mijn hotelkamer ga ik op de rand van het bed zitten en laat mijn hoofd in mijn handen zakken. Het huilen staat me werkelijk nader dan het lachen en ik vraag me verbaasd af hoe het mogelijk is dat iemand me zo kwaad heeft gekregen en datgene heeft kunnen laten doen, wat ik me ruim twee maanden geleden had voorgenomen nooit te zullen doen.

De ochtend was mooi begonnen deze dag. Met twee Duitsers ben ik afgereisd naar het Extreme Noorden om mezelf te trakteren op wat meer Afrikaanse cultuur. Met het openbaar vervoer zijn we daags tevoren aangekomen in het dorpje Mokolo. Al snel besluiten we de volgende dag met een auto en chauffeur het toeristisch, maar naar horen zeggen, oh zo mooie Rhumsiki te bezoeken. Op de afgesproken tijd van 7.00 uur worden we voor het hotel opgewacht door onze chauffeur met auto en kan de adembenemende tocht van twee uur over het slingerende zandpad door de heuvels getooid met vulkaantoppen beginnen.

Is de tocht naar Rhumsiki zo'n verrassing, het dorpje zelf is een grote teleurstelling. We worden werkelijk belaagd door de bewoners. Groot en klein wil iets van ons. En zo lopen we als sinterklazen het dorp door: we kopen zelfgemaakte spulletjes van de kinderen, we betalen een gids voor een tour de ville, we geven geld aan de crabman die mijn toekomst voorspelt, we kopen potten bij de lokale potterie, we betalen zelfs voor de doos, het papier en de plakband waarmee de hele handel verpakt wordt, we trekken onze portemonnee voor de kinderen die ons de weg naar de dichtstbijzijnde heuvel leiden, we geven een aantal francs aan de jongen die de doos met potten naar de auto brengt, we eten en we drinken, maar het is niet genoeg. Van alle kanten worden we benaderd. Aan de ene kant denk ik: 'wat geven die paar francs nou, voor hen is het veel geld'. Maar aan de andere kant speelt het ego op: 'het is onderhand goed geweest!' En bovendien, helpen we deze mensen echt door deze poppenkast in stand te houden? Maar ja, leg dat maar eens uit aan de oudere man die me agressief een stom poppetje probeert te verkopen of aan de vrouw die katoen tot draad aan het spinnen is en haar klosje in mijn handen duwt om me vervolgens tot betalen te manen. Of aan de kinderen die 'cadeau, cadeau' blijven roepen.

Als aan het einde van de trip ook nog eens de gids terugkomt om te zeggen dat de crabman vergeten is geld te vragen voor de inzegening van onze voeten waar we niet om gevraagd hebben, is mijn geduld (en mijn geld) op. Ik voel me in een soort onverschilligheid glijden. 'Wat willen jullie nog meer? Mijn kleren, mijn tas, mijn schoenen?'

Eén ding is zeker, we willen hier niet meer blijven en vluchten al struikelend de auto in, draaien de ramen omhoog en doen de deuren op slot. Er staan tientallen mensen om de auto heen en als de kinderen lege waterflessen in de auto zien liggen, kloppen ze op de ramen. Of ze die mogen hebben.

We rijden terug. Langs het prachtige landschap. Maar het doet me niets. Ik voel me letterlijk leeggezogen. Het is heus niet de eerste keer dat ik meemaak dat Kameroeners de vreemdste smoezen bedenken voor wat geld, maar dit sloeg echt alles. Na een bobbelige rit van twee uur komen we bij ons hotel aan. We hebben de hele terugweg niet gesproken en het is de chauffeur die als eerste zijn mond open doet. Morgen gaan we naar een andere plek in de omgeving en zoals afgesproken zal hij ons wederom begeleiden. Maar, zo moeten we weten, die weg is heel erg slecht. Daarom moet hij nieuwe banden kopen voor zijn auto, dus of we 18.000 FCFA voor hem hebben. We blijven bijna een half uur discussiëren in de auto over het feit dat hij dat van tevoren had moeten aangeven, toen we de totaalprijs afspraken. Maar hij blijft hetzelfde riedeltje herhalen en als hij me dan ook nog eens tot stilte maant, knapt er iets in me en kwaad sla ik het portier achter me dicht.

En dus bedwing ik mijn tranen op de bedrand in mijn hotelkamer. Dat hij daarna ook nog durfde te vragen om eten met een gebaar van een bedelaar, heeft me zo ontzettend teleurgesteld. Was ik daarom zo hard in mijn antwoord? Maar hij nam het goed op, dus ik snap zelf niet waarom ik me zo ellendig voel. Is het een combinatie van de hele dag? Is het omdat hij zo aardig en rustig was in het begin, dat ik werkelijk geloofde dat hij anders was? Is dit de cultuurshock waarop ik al tijden wachtte en die maar niet kwam? Of is het omdat ik me gedwongen voel te veranderen?

Want ik besef me ineens dat Kameroeners onderling veel duidelijker naar elkaar toe zijn. Als ze iets niet willen, zeggen ze 'nee'. Ik daarentegen probeer alles in mooie, bloemige woorden te verpakken om maar geen 'nee' te hoeven zeggen. Maar hier lijken ze te denken: als je geen 'nee' hebt gezegd, kan het altijd nog een 'ja' worden. Zoals Jeroen vertelde dat hij letterlijk tegen iemand heeft gezegd dat hij geen werk voor desbetreffende persoon heeft en dat waarschijnlijk ook niet zal krijgen en hem niets beloven wil en kan. Die jongen in kwestie bedankte Jeroen voor zijn eerlijkheid.

Dus terwijl ik eerst bang was om zo direct te zijn, omdat het hooghartig zou overkomen, ben ik nu van mening dat de gedachte bepaalt hoe je ten opzichte van een ander staat. En als iedereen hier zo met elkaar omgaat, wie ben ik dan om te denken dat het discriminerend is? Omdat ik blank ben en zij donker? Is het niet-willen discrimineren ook niet een vorm van discriminatie? Want nee-zeggen kan ook op een respectvolle manier, maar het woord moet hier gezegd worden. En zo pas ik me langzaam maar zeker aan in de wereld die Afrika heet.

Geplaatst door Marijke

vrijdag 11 maart 2011

Dodelijk gif

Het Internationale Feest van de Vrouw, afgelopen dinsdag, eindigde voor twee Kameroenezen in een verbeten gevecht. We waren voor een workshop in het zuidoosten van het land en proostten in een lokale bar op de afsluiting. Aan het tafeltje naast ons zaten twee vrouwen en een man. Ze waren dronken en nogal luidruchtig, maar ach, tijdens het feest hadden we al genoeg goed bezopen vrouwen gezien die hún dag extra allure wilden geven. Met dans, zang en palmwijn. Of, in dit geval, een paar flessen bier. Niets nieuws onder de tropische zon.

Maar plots sloeg de stemming bij het gezelschap om. De vrouwen zetten het op een krijsen en gooiden met de flessen bier. Ze spatten tegen de muur in scherven kapot. Onmiddellijk daarna vlogen ze elkaar letterlijk in de haren en trokken eraan. Oké, het zijn weliswaar pruiken, maar zeg me niet dat het geen pijn doet! Aan de kreten te horen, waren ze wel degelijk aan het lijden en dus mengden enkele van ons zich in het gevecht om de kluwen haar te ontwaren. De man in kwestie stond er wat beduusd bij.

Er kwam nog net geen schaar aan te pas, maar mijn chauffeur moest wel een paar karateslagen geven om de pruiken te scheiden. En toen ze onder veel geschreeuw afdropen, - elk een andere kant op -, bleek de aanleiding een amoureus conflict te zijn. De echtgenote en haar vriendin vochten om dezelfde man.

Het was voor mij de eerste keer dat ik zo’n passienood zag eindigen in plukken haar en gebroken glas. Normaal gaat zoiets er slinkser aan toe. Van mijn voormalige projectcollega weet ik dat hij een huisman had om de was te strijken en de vloer te boenen. Zijn vrouw is namelijk een Afrikaanse. En zij wilde persé geen schoonmaakster in het appartement omdat die kruiden in het eten kon stoppen. Met als doel haar man te verleiden.

Drie weken geleden was er een ruzie in kennissenkring om een soortgelijk voorval. Het stel had een heftige woordenwisseling omdat de echtgenoot vreemd was gegaan. Nee, het had niets te maken met een doodgebloeide liefde of gebrek aan lust. De minnares had met voodoo de man in bedwang. Daar kwam het gevaar vandaan.

Het kan bonter. Toen ik in een stad in het westen van het land was, zei mijn collega dat ik me niet aan getrouwde vrouwen moest vergrijpen. Het kwam eerlijk gezegd niet eens in me op, maar ik was wel razend nieuwsgierig waarom dat gevaarlijk kon zijn. ,,Als de man erachter komt, kan hij je doden’’, was zijn antwoord. En hoe dan, vroeg ik: met een mes, machete of een pistool? Hij schudde het hoofd. ,,Hij zal vergif gebruiken.’’ En hij legde uit hoe de bedrogen echtgenoot iemand van de lokale stam inschakelt. Die bewaren een magisch recept. Ze nemen een overledene en wikkelen hem in een doek. Vervolgens hangen ze het lijk aan een stevige tak en laten het een paar dagen rotten. Het vocht dat bij de ontbinding ontstaat, vangen ze op in een kom. Dat is vergif. ,,Je giet een paar druppeltjes in het drankje bij degene die je vrouw heeft afgepakt of je kunt het met een rietje naar hem toe blazen. En dan sterft ie een gruwelijke dood.’’ Daar was hij vast van overtuigd.

Tja, dat lijkt me niet prettig, zei ik hem. Maar waarom moest het meteen zo radicaal? Na het gevecht daar in die lokale bar op de avond van het Internationale Feest van de Vrouw ontstond er namelijk een stevige discussie over vreemd gaan. En een van de stamgasten, een oudere man, was vrij stellig in zijn mening. Dat gevecht tussen de vrouwen hoorde erbij, beweerde hij. Volkomen normaal. ,,Als je elke dag cassave eet, wil je ook wel eens bakbanaan proberen.’’

We bestelden nog maar een nieuwe fles bier.

Geplaatst door: Jeroen

vrijdag 4 maart 2011

Een disco in de rimboe

Het is voor de inwoners van het district Mvangan een waar spektakel: vier jeeps voorafgegaan door een politiewagen met loeiende sirene. Diep in het zuiden van Kameroen, aan de grens met Gabon, vergeten de vrouwen voor even de was, blijft de machete van de mannen in de lucht hangen en drommen de kinderen samen voor het venster van het plaatselijke dorpsschooltje als we in heuse colonne voorbij denderen. En dat allemaal voor onze missie om het bosbeheer in de regio veilig te stellen.

We zijn met een flinke delegatie naar niemandsland afgereisd. De burgemeester, de prefect, het hoofd van Staatsbosbeheer en een klein legertje aan rangers en assistenten. Doel is om de dorpelingen uitleg te geven over verantwoord gebruik van de natuurlijke bestaansbronnen. Hier, waar het bos nog jungle heet en als een groen, levend gordijn aan weerskanten van het zandpad opdoemt.

Die jungle herbergt dieren die elders in Kameroen al lang en breed zijn uitgestorven, vertelt een ranger ons. Chimpansees, gorilla’s, bosolifanten. Er wordt wel eens een olifant omgelegd voor het vlees. Of een aap. Maar soms ook plukken de dieren de vruchten van de menselijke beschaving. ,,Zie je die bananenplantage daar?’’, zegt hij, als we langs een stuk opener groen rijden. ,,Daar zitten ’s morgens gorilla’s.’’ De mensenapen blijken de kinderen uit het volgende gehucht al meer dan een maand thuis te houden, omdat ze op weg naar school de plantage moeten passeren. Met een zilverrug valt niet te spotten.

Maar we zijn hier vandaag in de eerste plaats voor de mensen en niet voor het speuren naar beesten. Het is een druk programma: in twee dagen houden we vergaderingen in vijf dorpen. Sommige van die nederzettingen hebben de prefect en de burgemeester nog nooit in levende lijve gezien. En dus worden we opgewacht door een grote menigte.

De ontvangst is steevast hartelijk. Handen schudden met de chiefs die hun traditionele gewaad hebben aangetrokken. De burgemeester, een voormalig leraar, spreekt het publiek toe in de lokale taal. Veel ‘oe’s’, ‘oo’s’ en ‘ku’s’ in dat moeilijk te definiëren gebrabbel dat nog het meest weg heeft van een Oosters dialect. De dorpelingen lijken zijn geste te waarderen. Er wordt regelmatig geapplaudisseerd en instemmend gemompeld. Bosbeheer heeft hier duidelijk een toekomst.

De vergaderingen duren steeds anderhalf uur, gevolgd door een uitgebreide maaltijd. In de tweede nederzetting die we aandoen, is de delicatesse gemarineerde landschildpad. Het hoofd van Staatsbosbeheer waarschuwt ons er niet teveel van te eten. Waar hij vandaan komt, worden de reptielen aangewend voor het bedrijven van zwarte magie. ,,Als ze kwaad willen, dan spreken ze een vloek over het vlees uit en wordt je net zo traag als een schildpad.’’

Maar vreemd genoeg vliegt de tijd voorbij en tegen het einde van de middag komen we aan in een gehucht van amper twintig woningen groot. Een stokoud mannetje, gezeten in een versleten fauteuil, verwelkomt ons. Hij is de chief en blijkt blind. Eigenlijk kan hij nauwelijks nog bewegen. De prefect vraagt hem of het niet eens tijd wordt om een opvolger te kiezen. Het mannetje leunt vermoeid op zijn toverstaf. Hij zwijgt, maar je hoort hem denken: tss, tss, jullie weten niet half hoe het er hier aan toegaat.

Dat weten we inderdaad niet. Maar wat we wel weten is dat we hier de nacht gaan doorbrengen. Want het begint al te schemeren en het woud verandert snel in een zwarte vesting waaruit onheilspellende geluiden klinken.

Een jongeman die voor de kleinzoon van de chief kan doorgaan, neemt ons gezelschap naar een stenen gebouw. Als we de ruimte binnengaan, knipper ik met mijn ogen. Het blijkt een disco, compleet met een dj-booth, flikkerende lampen en een frezer vol ijskoude drank. Het gehucht heeft elektriciteit noch stromend water en de lemen hutjes doen er op zijn zachtst gezegd armzalig aan. Maar hier mogen we aan tafeltjes aan weerszijden van de dansvloer plaatsnemen en kunnen we kiezen uit Guiness en single malt whisky. Ik wijs op de kleurige lampen. Hoe dat dan, zonder stroom? ,,We hebben een generator’’, bekent de jongeman.

En zo zijn we op steenworp afstand van de grens, in het hart van het tropisch regenwoud, beland in een ongekend nachtleven. Jonge vrouwen in schaarse kleding brengen ons de drank, de dj pakt een stapel ceedees bij de hand. De volgende Guiness wordt al bijgezet als het eerste flesje halfleeg is. De burgemeester neemt grootmoedig de kosten voor zijn rekening.

In de loop van de nacht verschijnen de koplampen van brommertjes in de deuropening. Het gerucht dat er een feestje gaande is, is ook de lokale jeugd ter ore gekomen. Waar ze allemaal vandaan komen, is me een raadsel. Maar weldra is de vloer gevuld met een uitgelaten menigte en zwepen de vrouwen de zittenblijvers op. Ook de burgemeester en ik moeten er aan geloven. Broeierige Afrikaanse samba in een groen jasje.

Als ik me na drie nummers excuseer om buiten te plassen, moet ik me even in de arm knijpen. Voor me het woud met talloze vuurvliegjes, achter me het schijnsel van de discolampen. Daar ergens in het woud de zilverrug die naar bananen zoekt en binnen het hoofd van Staatsbosbeheer die zich aan een serveerster vergaapt.

Terug aan het tafeltje vraag ik toch naar het bestaan van een disco in niemandsland. Hoe kan zoiets hier in hemelsnaam bloeien? Het antwoord komt van een opgeschoten jongere die inmiddels goed dronken is. ,,De handelaren uit Gabon’’, zegt hij met dubbele tong. ,,Zij willen ook plezier als ze voor de business komen.’’ Die business zijn de bananen en de cacaonoten die na de regentijd met truckladingen tegelijk worden geoogst.

Om half drie vind ik het welletjes. De disco-eigenaar staat me zijn bed af en verlicht de slaapkamer met een olielampje. Maar de beats weerhouden me van een goede nachtrust. Als om vijf uur de muziek nog oorverdovend door het gehucht schalt, hoop ik voor de chief dat hij naast blind en stokoud ook hardhorend is. Maar, - zo moet ik vaststellen -, hij heeft gelijk gehad met zijn zwijgzaamheid. Het grensgebied bewaart geheimen.

Geplaatst door: Jeroen